Origine(e)l(e) artikel(en)

Nederlands

84(3) pg 127-132

Titel: 
Het effect van ketoprofenbehandeling ter preventie van het postpartum dysgalactiasyndroom bij zeugen
Auteur(s): 
E. CLAEYÉ, J. BEEK, T. MEYNS, D. MAES
Samenvatting: 
 SAMENVATTINGHet postpartum dysgalactia syndroom (PDS) is een economisch belangrijke aandoening bij zeugen.Het syndroom wordt gekenmerkt door een verlaagde melk- en colostrumproductie binnen de 12 à 48uur na het werpen van de jongen. Het doel van deze studie was nagaan of een preventieve behandelingmet ketoprofen (Ketofen®10%, Merial, België) een positief effect heeft op de subklinische vorm vanPDS. De zeugen in de studie (n = 39) werden willekeurig in twee groepen ingedeeld: de ene diende alscontrolegroep en de andere werd intramusculair behandeld met ketoprofen binnen de twaalf uur na departus.Tijdens de eerste 24 uur na de partus daalde de rectale temperatuur van de zeugen (-0,43 ± 0,13 °C)in de ketoprofengroep. In de controlegroep werd een stijging gezien (+0,07 ± 0,02 °C) (P < 0,05).Er werden geen significante verschillen gevonden betreffende spekdikteverlies bij de zeugen,gewichtstoename van de biggen (n = 541) en overleving. Er kan geconcludeerd worden dat eeneenmalige intramusculaire injectie met ketoprofen bij zeugen kort na het werpen de rectale temperatuurdeed dalen maar geen invloed had op de prestaties van de biggen.
Volledige tekst: 
pp 127-132
Origine(e)l(e) artikel(en)

84 (2) pg 080-087

Titel: 
Analyse van equine BNP met een porciene BNP ELISA-test: een pilootstudie
Auteur(s): 
N. VAN DER VEKENS, A. DECLOEDT., D. DE CLERCQ, S. VEN, G. VAN LOON
Samenvatting: 
“Brain natriuretic peptide” (BNP) wordt gebruikt in de humane geneeskunde voor de diagnosevan congestief hartfalen. Vermits er geen BNP-test voor paarden beschikbaar is, werd BNP nog nooitbepaald bij paarden. Op basis van de 90% homologie tussen equine en porciene BNP, werd in de voorliggendestudie het plasma BNP-gehalte van gezonde paarden (groep 1; n=20), paarden met een hartaandoeningzonder (groep 2a; n=8) en met atriale dilatatie (n=8), ventriculaire dilatatie (n=1) of beide(n=1) (groep 2b; n=10) bepaald met een porciene BNP “enzyme-linked immunoassay” (ELISA). Erwerd geen significant verschil gevonden tussen de BNP-concentratie van groep 1 (77,79; 37,20-513,36pg/mL), groep 2a (52,02; 24,69-268,37 pg/mL) of 2b (94,73; 42,88-470,66 pg/mL). In deze pilootstudiewordt aangetoond dat deze porciene BNP ELISA-test geen accurate detectie van BNP bij paardentoelaat. Een specifieke equine BNP-test zou dus ontwikkeld moeten worden om de BNP-concentratiebij paarden te meten.
Volledige tekst: 
pp 080-087
Origine(e)l(e) artikel(en)

84(1) pg 27-38

Titel: 
Nageltred: voordelen van MRI bij de behandelingskeuze
Auteur(s): 
N. DE HEER, E. COMPAGNIE, F. TER BRAAKE
Samenvatting: 
Nageltred komt veel voor bij paarden. De prognose en behandeling hangen af van de beschadigdeweefsels. In dit artikel worden negen paarden met nageltred beschreven die een “magnetic resonanceimaging” (MRI)-onderzoek ondergingen. Het röntgenologisch onderzoek, dat werd uitgevoerd bij zevenvan de negen paarden, gaf een inschatting van de betrokkenheid van botstructuren bij nageltred. Om deweke-delenschade te kunnen beoordelen, werd een MRI-onderzoek uitgevoerd bij alle paarden. MRIgeeft immers een uitstekend weke-delencontrast en kan gedetailleerde beelden in elk anatomisch vlakmaken. In alle negen casussen was het MRI-onderzoek bepalend voor de prognose en therapiekeuze.Bij twee paarden bevestigden de MRI-beelden dat slechts een oppervlakkige uitruiming nodig was. Bijde overige zeven paarden was een meer invasieve aanpak geïndiceerd, zoals bursoscopie of een “streetnail”procedure. Deze studie illustreert dat door middel van MRI-onderzoek veel nuttige informatie kanverkregen worden om zo tot een gepaste therapie en prognose te komen. In deze studie is er een groteovereenkomst tussen de bevindingen van de MRI en de afwijkingen die tijdens chirurgie gevondenwerden.
Volledige tekst: 
pp 27-38
Origine(e)l(e) artikel(en)

84(1) pg 18-26

Titel: 
Het effect van het toedienen van een orale elektrolytenoplossing op de zuur-basebalans en vitaliteit van pasgeboren Belgisch witblauwe kalveren
Auteur(s): 
J. HUYGHE, V. MEGANCK, M. VAN EETVELDE, G. OPSOMER
Samenvatting: 
In dit onderzoek werd een orale elektrolytenoplossing (Glutellac®) toegediend aan pasgeborenBelgisch witblauwe kalveren. Het doel van de studie was om na te gaan of dit een effect heeftop de vitaliteit, de zuur-basebalans en de passieve immuniteit. Er werden twintig pasgeborenBelgisch witblauwe kalveren in de studie opgenomen waarvan er tien een placebo en tien eendosis Glutellac® toegediend kregen. Slechts drie kalveren vertoonden metabole acidose. De baseexcess (BE) van de groep die Glutellac® toegediend kreeg, werd sneller positief en was significanthoger dan die van de groep die een placebo kreeg 2 uur (p < 0,05), 6 uur (p < 0,001) en 12 uur(p < 0,001) na de geboorte. Klinisch en op het vlak van de IgG-absorptiecapaciteit was er geensignificant verschil merkbaar tussen beide groepen. Concluderend kan gesteld worden dat hettoedienen van een dosis Glutellac® aan Belgisch witblauwe kalveren zonder metabole acidoseonmiddellijk na de keizersnede de BE verhoogt.
Volledige tekst: 
pp 18-26
Origine(e)l(e) artikel(en)

83(5) pg 250

Titel: 
Het effect van propofolanesthesie op echografische metingen van de bijnieren van gezonde katten
Auteur(s): 
A. COMBES, E. VANDERMEULEN, L. DUCHATEAU, K. PEREMANS, M. HESTA, J.H. SAUNDERS
Samenvatting: 
Hoewel real time-echografie mogelijk is bij wakkere katten, worden ze vaak met propofol onderanesthesie gebracht voor echografisch onderzoek in het geval ze moeilijk handelbaar zijn of alsperioperatieve onderzoeken nodig zijn. Propofol kan bij katten hypertensie veroorzaken en mogelijkvasodilatatie teweegbrengen, hetgeen leidt tot redistributie van het bloedvolume in abdominale organenen eventueel tot organomegalie. In de voorliggende studie werden echografische metingen van denieren van gezonde katten vergeleken voor en tijdens de intraveneuze toediening van propofol. Erwerd geen significant effect gevonden van propofol op de grootte van de bijnieren; de geobserveerdeverschillen waren klein en klinisch irrelevant. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat het gebruik vanpropofol geen invloed heeft op de echografische diagnose van adrenomegalie.
Volledige tekst: 
pp 250-254
Origine(e)l(e) artikel(en)

83(5) pg 240

Titel: 
Zomereczeem bij Belgische warmbloedpaarden: prevalentie en risicofactoren
Auteur(s): 
L.M. PEETERS, S. JANSSENS, A. COUSSÉ, N. BUYS
Samenvatting: 
Zomereczeem is een allergische reactie op specifieke antigenen in het speeksel van Culicoides-muggenof andere insecten. In deze studie werden omgevingsfactoren geïdentificeerd die geassocieerd zijn met hetvoorkomen van zomereczeem bij Belgische warmbloedpaarden (BWP) in Vlaanderen (België). Daarvoorwerden met behulp van een enquête 3409 gegevens over zomereczeem verzameld tijdens sportwedstrijden,BWP-prijskampen en via persoonlijk contact met grote fokkers (stoeterijbezoeken en telefoongesprekken).De paarden werden ingedeeld in “zomereczeempositief” of -negatief op basis van de informatie die doorde eigenaars aangereikt werd. De gemiddelde prevalentie van zomereczeem bij BWP bedroeg 10% inVlaanderen. Zeventig procent van de zomerczeempositieve paarden werd behandeld met preventiemaatregelenom de symptomen te onderdrukken en 38% van de positieve paarden vertoonde geen symptomenop het moment dat de enquête werd afgenomen. Hierdoor was de gemiddelde prevalentie van merkbaresymptomen slechts 6,2%. De volgende risicofactoren voor het optreden van zomereczeem bij BWP werdengeïdentificeerd: leeftijd, de methode van datacollectie, de periode waarop de enquête werd afgenomen, detrainingsfrequentie en de vegetatie van de omliggende weiden. Daarenboven beïnvloedde het aantal paardenper eigenaar eveneens de (gerapporteerde) prevalentie van zomereczeem.
Volledige tekst: 
pp 240-249
Origine(e)l(e) artikel(en)

83(4) 164-170

Titel: 
Prevalentie van Chlamydia abortus bij herkauwers in België
Auteur(s): 
L. YIN, K. SCHAUTTEET, I.D. KALMAR, G. BERTELS, E. VAN DRIESSCHE, G. CZAPLICKI, N. BOREL, D. LONGBOTTOM, D. FRÉTIN, M. DISPAS, D. VANROMPAY
Samenvatting: 
Enzoötische abortus veroorzaakt door Chlamydia (C.) abortus is nog steeds de meest voorkomende oorzaak van reproductiestoornissen bij schapen. Bij runderen wordt C. abortus geassocieerd met infecties van het geslachtsstelsel en mastitis. In de voorliggende studie werden Belgische schapen (n=958), geiten (n=48) en runderen (n=1849) onderzocht aan de hand van de ID ScreenTM Chlamydia abortus indirecte multispecies antistof ELISA. Bij de schapen werd de hoogste prevalentie gevonden in Limburg (4,05%). De dieren van Antwerpen, Brabant en Luik waren negatief. De prevalentie in de overige vijf regio’s was laag (0,24% tot 2,74%). Van negen geitenboerderijen was slechts één bedrijf uit Luxemburg positief. Bij de runderen werd de hoogste seroprevalentie in Waals-Brabant (4,23%) gevonden. De dieren uit Limburg en Namen waren negatief. De prevalentie in de overige zeven regio’s varieerde van 0,39% tot 4,02%.
Volledige tekst: 
pp 164-170
Origine(e)l(e) artikel(en)

83 (3) 125-132

Titel: 
De invloed van romifidine en detomidine op de inductie en recovery bij paarden in combinatie met totale intraveneuze anesthesie
Auteur(s): 
V.J.F. Van Loon, T.J. van den Brink, J.P.A.M. Van Loon, C.J.W. Scheffer, H.J. Bergman
Samenvatting: 
In de voorliggende studie werd de kwaliteit van de inductie en de recovery vergeleken bij 146paarden na totale intraveneuze anesthesie met guaifenesine, ketamine en detomidine, ten behoeve vancomputertomografie (CT). Ze werden willekeurig ingedeeld, waarbij de ene groep romifidine (n=110)en de andere groep detomidine (n=36) als premedicatie kreeg. De anesthesie werd geïnduceerd meteen combinatie van ketamine/midazolam. De gemiddelde anesthesieduur van de CT was kort (gemiddeld+/- SD: 23,5 +/- 8,8 minuten). Er bleek geen significant verschil te zijn voor de inductiescore. Welbleken paarden gepremediceerd met romifidine een significant betere recoveryscore te hebben. 
Volledige tekst: 
pp 125-132
Origine(e)l(e) artikel(en)

83 (3) 119-124

Titel: 
Chronisch progressief lymfoedeem bij het Belgisch trekpaard in België: klinische fenotypering, prevalentie en analyse van risicofactoren
Auteur(s): 
K. De Keyser, S. Janssens, L.M. Peeters, F. Gasthuys, M. Oosterlinck, N. Buys
Samenvatting: 
Het Belgisch trekpaard is belast met chronisch progressief lymfoedeem (CPL), een bekende, ongeneeslijkeaandoening. Tot op heden bestaat er geen uniform diagnostisch protocol, waardoor eengoede schatting van de prevalentie onbestaande is. Het doel van dit artikel was een eenduidige klinischeonderzoeksmethode te ontwikkelen om de objectiviteit van de CPL-diagnose te verhogen en deprevalentie van CPL bij het Belgisch trekpaard na te gaan. Daarnaast werd aan de hand van statistischemodellen het verband onderzocht tussen bepaalde factoren, zoals de interactie leeftijd-geslacht, vachtkleuren seizoen, enerzijds en het optreden van klinische symptomen anderzijds. Deze studie toontaan dat de prevalentie van CPL hoog is. In de volledige steekproef, waarbij een groot aandeel van depaarden jonger was dan drie jaar, was 60,66% aangetast. In een subset van oudere dieren (≥ 3 jaar)was dat 85,86%. Bij sommige paarden werden reeds milde symptomen gezien vanaf één jaar (14%van de jaarlingen), maar duidelijke letsels kwamen doorgaans voor vanaf de leeftijd van drie jaar. Hetontwikkelde protocol kan de CPL-diagnose en toekomstige gegevensverzameling vergemakkelijken.In de voorliggende studie werden factoren die significant geassocieerd zijn met CPL, i. e. interactieleeftijd-geslacht, vachtkleur en seizoen, geïdentificeerd en gekwantificeerd. Daarmee is de basis gelegdvoor kwantitatief genetisch onderzoek met als ultiem doel CPL bij het Belgisch trekpaard te reduceren. 
Volledige tekst: 
pp 119-124
Origine(e)l(e) artikel(en)

83 (3) 113-118

Titel: 
Risicofactoren voor oorhematomen bij biggen
Auteur(s): 
J. Van den hof, J. Beek, K. Chiers, D. Maes
Samenvatting: 
In deze studie werd het voorkomen van oorhematomen bij gespeende biggen onderzocht enwerd nagegaan of het voorkomen gerelateerd was aan bepaalde risicofactoren. In totaal werdenvijf opeenvolgende groepen biggen (n=10.657) binnen een bedrijf onderzocht vanaf het spenen(drie weken) tot het einde van de biggenbatterij (tien weken). De gemiddelde incidentie per groepbedroeg 2,3%, variërend van 1,3% tot 2,9%. Bij bargen was de incidentie 2,1%, bij zeugen 2,5%(P > 0,05). De incidentie bij biggen van eersteworpszeugen bedroeg 0,92%, bij biggen van meerdereworpszeugenwas dit 2,45% (P < 0,001). De meeste nieuwe gevallen traden vier à vijf wekenna het spenen op. Het risico op het ontstaan van een oorhematoom was ruim tweemaal groterlangs de zijde waar een oormerk aanwezig was (RR = 2,28 [1,74 – 2,98]). Verder onderzoek, bijvoorkeur op meerdere bedrijven, is wenselijk om de resultaten te bevestigen en/of te verklarenen om de controlemaatregelen te optimaliseren.  
Volledige tekst: 
pp 113-118
Origine(e)l(e) artikel(en)

Pagina's