Origine(e)l(e) artikel(en)

Nederlands

76 (2) 124-129

Titel: 
Een praktische benadering van de eliminatie van dysenterie (Brachys pirahyodysenteriae) op gesloten varkensbedrijven
Auteur(s): 
P. VYT, P. HEYLEN, M. NEVEN, F. CASTRYCK
Samenvatting: 
Swine dysentery is causing severe economic losses in affected herds. In the present study an elimination protocol without depopulation was developed and evaluated on three farrow-to-finish farms using fecal examination. The elimination protocol consisted of stringent rodent control, hygienic measures and an elimination treatment of the sows using tiamulin 10 mg/kg BW or valnemulin 4 mg/kg BW for 3 weeks, followed by a 3 week treatment at half the dose. On day 10 of antimicrobial supplementation, treatment was accompanied by washing of the sows and cleaning of the environment. Once treated and washed according to this protocol, the sows were considered clean. Thus the piglets born from these sows in a clean environment were considered clean and were kept separated from the rest of the piglets and fatteners. For the piglets and fatteners born before the elimination treatment, no elimination treatment was done. Only pigs showing clinical symptoms were treated, in combination with hygienic measures to prevent spreading. Fecal samples from sows and clean pigs were monitored monthly until one year after the start of the treatment program. In two herds, elimination of the disease was successful: no clinical signs were seen and fecal samples remained negative until the end of the testing period. In one herd, clinical symptoms reappeared in the fatteners. The findings of this study confirm the potential usefulness of the elimination protocol described in single-site, farrow-to finish herds. In addition, the results of the prolonged follow-up strongly indicate that the causal bacterium itself, Brachyspira hyodysenteriae, can be eliminated at the farm level when this elimination protocol is applied.
Volledige tekst: 
pp 124-129
Origine(e)l(e) artikel(en)

76 (2) 117-123

Titel: 
Fibrocartilagineus infarct: een retrospectieve studie van 57 verdachte gevallen
Auteur(s): 
C. GADEYNE, S. DE DECKER, I. VAN SOENS, S. BHATTI, S. VAN MEERVENNE, V. MARTLÉ, J. SAUNDERS, I. POLIS, L. VAN HAM
Samenvatting: 
In 56 dogs and 1 cat a diagnosis of suspected fibrocartilaginous embolism was made based on the history, the typical clinical presentation, and the absence of specific abnormalities on radiography and myelography. None of the diagnoses was confirmed by histopathological examination; since none of the patients was euthanized at the time of diagnosis. Therapy consisted of supportive care, with additional physio and/or hydrotherapy in a quarter of the cases. Short- and long-term results (more than 1 year after diagnosis) were better than earlier reported.
Volledige tekst: 
pp 117-123
Origine(e)l(e) artikel(en)

76 (3) 201-207

Titel: 
Het effect van de versheid van zalmolie op de smakelijkheid van honden voeders
Auteur(s): 
A. VERBRUGGHE, M. HESTA, K.E. GULBRANDSON, G.P.J.JANSSENS
Samenvatting: 
The effect of the feeding history of dogs and of the addition of different fat sources (chicken lard (CL), rapid harvested salmon oil (RS) and non-rapid harvested salmon oil (NRS)) to their diet on the palatability of dog foods was investigated. Three diets were tested in twelve healthy adult Beagle dogs using a modified two-pan preference test: a basal diet with chicken lard (CL) and two diets with 1% salmon oil, one being with rapid-harvest salmon oil (RS) and the other with non-rapid-harvest salmon oil (NRS). Substitution of 1% chicken lard by 1% salmon oil decreased the (n-6):(n-3) fatty acid ratio from 9 to 5. The oxidative status in both oils and foods was rather low, but the difference between the two salmon oils was prominent. Absolute food intake did not differ significantly among the diets, most likely due to numeric differences in absolute food intake between test periods. Relative intake showed a significant difference between CL (38.5 % of total food intake) and NRS (28.1 %), whereas no difference was noted between RS (33.4 %) and NRS and between CL and RS. The preceding diet had no effect on diet preference.
Volledige tekst: 
pp 201-207
Origine(e)l(e) artikel(en)

76 (3) 195-200

Titel: 
Spermabehandeling in kunstmatige inseminatiecentra voor varkens in België
Auteur(s): 
P. VYT, D. MAES, T. RIJSSELAERE, J. DEWULF, A. DE KRUIF, A. VAN SOOM
Samenvatting: 
In the present study, the practice of semen examination and semen processing in Belgian porcine artificialinsemination (AI) centers was evaluated by means of a written questionnaire. The questionnaire was sent to 50AI centers and 38 filled it in and returned it (response rate 76%). The size of the herds in the responding centers variedbetween 4 and 165 boars, with a mean of 45. In 80% of the AI centers, the semen doses contained at least 3billion spermatozoa. Sperm morphology and motility were considered the most important parameters forsperm quality evaluation. Semen morphology was systematically examined in 71% of AI centers. A lower limitof 80% normal spermatozoa was used in 66% of the AI centers. Motility was monitored systematically in everyejaculate in 94% of AI centers. A lower limit of 70% motility was used. Motility assessment was performed visuallyin all but one of the AI centers.Ninety-seven percent of Belgian AI centers used a short-term semen extender (storage for 3 days). Since sementransport times are short in Belgium, there is no necessity for long-term storage of diluted porcine semen.In 50% of the AI centers, long-term extenders (storage for 7 days) were used on a part of the collected semen,mainly for storage over the weekend. In some AI centers, extender solutions at room temperature are added tothe ejaculate, apparently without negative effects on fertility. Antibiotics are seldom supplemented to the extendedporcine semen. The semen doses contained in most cases 100 ml extended semen.The present study shows that the Belgian porcine AI centers generally incorporate semen quality examinationsin their daily routine, especially for motility assessment. In a minority of AI centers, especially the smaller ones,the semen morphology examination should be done more systematically. This focus on semen quality, togetherwith the consistent use of a sufficient number of spermatozoa per semen dose, reflects the concern of Belgian AIcenters to produce quality semen doses. In some AI centers, improvements in semen handling could be made,especially concerning the temperature of the extender and its preservation conditions.
Volledige tekst: 
pp 195-200
Origine(e)l(e) artikel(en)

76 (4) 300-305

Titel: 
Gevoeligheid van Belgische Mycoplasma hyopneumoniae-isolaten voor antimicrobiële middelen
Auteur(s): 
D. MAES, J. VICCA, T. STAKENBORG, P. BUTAYE, A. DE KRUIF, F. HAESEBROUCK
Samenvatting: 
Van 21 Mycoplasma hyopneumoniae-isolaten die in België verzameld werden tussen 2000 en 2002, werd degevoeligheid bepaald voor 12 antimicrobiële middelen die frequent worden gebruikt in de varkenshouderij.Hierbij werd gebruik gemaakt van een microdilutietechniek. Verworven resistentie tegen spectinomycine,oxytetracycline, doxycycline, gentamicine, florfenicol en tiamuline werd niet waargenomen. Eén isolaatwas zowel resistent tegen lincomycine als tegen tilmicosine en tylosine, maar gevoelig voor alle andere getesteantimicrobiële middelen. De minimale inhibitorische concentratie (MIC)-waarden van flumequine waren> 16 μg/ml voor 5 isolaten, terwijl de MIC50 2 μg/ml bedroeg. De MIC-waarden voor enrofloxacine waren≥ 0,5 μg/ml voor deze 5 isolaten, terwijl de MIC50 0,06 μg/ml bedroeg. Dit is de eerste studie die verworvenresistentie aantoont tegen macroliden, lincosamiden en fluoroquinonolen bij M. hyopneumoniae.
Volledige tekst: 
pp 300-305
Origine(e)l(e) artikel(en)

76 (4) 293-299

Titel: 
Effect van altrenogesttoediening na het spenen aan primipare zeugen
Auteur(s): 
N. EVERAERT, C. VANDERHAEGHE, B. MATEUSEN, J. DEWULF, A. VAN SOOM, A. DE KRUIF, D. MAES
Samenvatting: 
Een aanzienlijk gewichtsverlies en de uitputting van vetreserves gedurende de eerste lactatie zijn een oorzaakvan verminderde vruchtbaarheid bij primipare zeugen. In deze studie, uitgevoerd op drie commerciële varkensbedrijven,werd nagegaan of het drie dagen vroeger spenen samen met de toediening van altrenogest effectief wasom de vruchtbaarheid (interval van het spenen – de bronst, het drachtigheidspercentage na de eerste inseminatie,de totale worpgrootte en het aantal levend geboren biggen in de tweede worp) en de conditie te verbeteren. Op detwee bedrijven met het “second litter syndrome” werd een niet-significante verbetering van de worpgrootte metgemiddeld 1,9 extra biggen in de tweede worp vastgesteld. Gedurende de behandelingsperiode kwamen de behandeldezeugen gemiddeld 1,4 mm spekdikte bij terwijl de controlezeugen 0,4 mm verloren. We kunnen besluitendat de behandeling nuttig is om een betere conditie van de zeugen te bereiken op het moment van inseminatieen dat het middels die behandeling mogelijk zou zijn de tweede worpgrootte op bedrijven met het “second littersyndrome” te verbeteren.
Volledige tekst: 
pp 293-299
Origine(e)l(e) artikel(en)

76 (6) 431-437

Titel: 
De herhaalbaarheid van bekkenmetingen van Belgisch Witblauwe runderen met de pelvimeter van Rice en de verschillen tussen deze metingen rond het afkalftijdstip
Auteur(s): 
I. KOLKMAN, K. MATTHYS, G. HOFLACK, L. FIEMS, D. LIPS, A. DE KRUIF, G. OPSOMER
Samenvatting: 
De routinematig uitgevoerde keizersnede bij het Belgisch Witblauwe (BWB) dikbilras wordt bekritiseerduit dierenwelzijnsoverwegingen. Daarnaast heeft de keizersnede ook financieel-economische gevolgen.Selectie met het oog op het terugdringen van het aantal keizersneden kan dan ook wegens dierenwelzijnsredenenworden opgelegd of kan een financieel-economisch voordeel opleveren. Een selectiestrategiedie onder andere gericht is op de toename van de inwendige bekkenmaten van het moederdier is dan ookprimordiaal. De voorwaarde voor selectie is het beschikken over zo correct mogelijke informatie over hette verbeteren kenmerk. Interne bekkenmaten kunnen bij het levende dier gemeten worden met behulpvan de pelvimeter van Rice. In het hierbeschreven onderzoek werd de herhaalbaarheid van metingen vande bekkenhoogte en de bekkenbreedte bij BWB-dikbilrunderen, tussen en binnen 2 onderzoekers en metbehulp van de pelvimeter van Rice nagegaan. Er werd ook onderzocht of het bekken tijdens de partus onderhevigis aan veranderingen door op drie verschillende tijdstippen rond de partus te meten (één maandvóór de partus, binnen de 24 uur en 2 weken na de partus). Er werden geen significante verschillen aangetoondtussen de metingen uitgevoerd door de twee verschillende onderzoekers voor wat betreft het metenvan de bekkenhoogte. Verder bleken de meetresultaten van onderzoeker 2 een lagere maar niet significantverschillende variatiecoëfficiënt te hebben dan die van onderzoeker 1, en dit voor zowel de bekkenbreedteals de bekkenhoogte. De gemiddelde bekkenhoogte gemeten binnen 24 uur na de kalving bleek 0,48 cmgroter te zijn dan de bekkenhoogte die gemeten werd één maand vóór de partus (P < 0,05). Op basis vanhet hierbeschreven onderzoek kan worden gesteld dat het meten van bekkenmaten met de pelvimetervan Rice tussen en binnen twee onderzoekers herhaalbaar is en dat de partus invloed kan hebben op dezemetingen.
Volledige tekst: 
pp 431-437
Origine(e)l(e) artikel(en)

76 (6) 423-430

Titel: 
Leeftijdsbepaling bij kippen: een uitdaging voor de douane
Auteur(s): 
S. BREUGELMANS, S. MUYLLE, P. CORNILLIE, J. SAUNDERS, P. SIMOENS
Samenvatting: 
 Om de verbening van het borstbeen en van de lange pootbeenderen (femur, tibiotarsus en tarsometatarsus) teevalueren, werden 10 mestkippen van verschillende leeftijd en 4 volwassen leghennen zowel macroscopisch alsradiografisch onderzocht. Bij mestkippen van 14 weken oud was de caudale helft van het sternum nog steedskraakbenig. De trage verbening van het borstbeen interfereert met een nauwkeurige leeftijdsbepaling. De lengtevan de lange pootbeenderen is leeftijdsafhankelijk maar hierbij moet rekening gehouden worden met grote rasverschillen.De diameter van de schacht en de dikte van het gewrichtskraakbeen van de lange pootbeenderen variërenweinig bij mestkippen van 7 tot 14 weken oud en kunnen bijgevolg niet als betrouwbare leeftijdsindicatorsgebruikt worden. De dikte van het femorale en proximale tibiotarsale gewrichtskraakbeen bedroeg meer dan 3mm bij mestkippen en minder dan 1 mm bij oudere leghennen. Het sluiten van de groeiplaten in de tibiotarsus ende tarsometatarsus vormt het meest betrouwbare criterium voor de ouderdomsbepaling van mestkippen.
Volledige tekst: 
pp 423-430
Origine(e)l(e) artikel(en)

76 (6) 417-422

Titel: 
Herhaalbaarheid van de radiografische beoordeling van heupdysplasie bij de hond
Auteur(s): 
F. COOPMAN, G. VERHOEVEN, D. PAEPE, H. VAN BREE, L. DUCHATEAU, J.H. SAUNDERS
Samenvatting: 
Om de manier van het beoordelen van de heupkwaliteit beter te begrijpen, werd de herhaalbaarheid van zowelde technische kwaliteitsbeoordeling van de radiografische opname, als van de verschillende morfologischebeoordelingen en van de eindbeoordeling van heupdysplasie bij de hond door verschillende beoordelaars inkaart gebracht. Honderd radiografieën werden technisch gekeurd en de heupen werden morfologisch beoordeelddoor zes individuele beoordelaars en door twee groepen van telkens 2 beoordelaars. Deze zes beoordelaars ende twee groepen van telkens 2 beoordelaars werden ook gevraagd deze opnamen volgens de FCI (FédérationCynologique Internationale) instructies te beoordelen. Het was duidelijk dat de technische kwaliteitsbeoordelingsterk verschilde afhankelijk van de beoordelaar. De overeenkomst was klein tussen de beoordelingen van demorfologische kenmerken voor sommige beoordelaars. De overeenkomst tussen de beoordelingen van de tweegroepen was groter (harmonisatie tussen beoordelaars). Er was geen grote overeenkomst tussen de eindscore(FCI; A,B,C,D,E) gegeven door sommige beoordelaars, terwijl de overeenstemming tussen de beoordelingen vanandere beoordelaars dan weer van een aanvaardbaar niveau was. De resultaten van deze studie tonen aan dat dekwaliteitsbeoordeling van ventrodorsale gestrekte radiografieën van heupen, het beoordelen van morfologischekenmerken en het toekennen van een eindbeoordeling zeer variabel kunnen zijn afhankelijk van de beoordelaar,gaande van totaal verschillend tot bijna gelijk. Het is noodzakelijk om oplossingen te vinden waardoor de overeenkomsttussen de beoordelingen van de verschillende beoordelaars kan worden vergroot.
Volledige tekst: 
pp 417-422
Origine(e)l(e) artikel(en)

77 (2) 97-100

Titel: 
Opsporing en fylogenetische analyse van lokale capripokkenvirussen uit pathologische stalen afkomstig van schapen verdacht van een schapenpokkeninfectie
Auteur(s): 
Z. YAZICI, T. C. OGUZUOGLU, S. O. GUMUSOVA
Samenvatting: 
Virussen van het genus capripokken, zoals de zeer infectieuze schapenpokken (SPPV), geitenpokken (GTPV)en nodulaire dermatose (LSD), zijn opgenomen in de OIE-lijst omdat ze ernstige aandoeningen kunnen veroorzakenbij respectivelijk schapen, geiten en runderen. In deze studie wordt de identificatie beschreven van een capripokkenvirusuit letsels van de huid, long, lymfeknopen, milt en cotyledon van een gestorven schaap verdacht vaneen SPPV-infectie. In een PCR specifiek voor capripokken werd aangetoond dat alle stalen positief waren. Viaeen sequentieanalyse van de PCR-producten werd de sequentie van het geïsoleerde virus vergeleken met dezevan gekende isolaten. Daaruit bleek een nauwe verwantschap met SPPV.
Volledige tekst: 
pp 97-100
Origine(e)l(e) artikel(en)

Pagina's