Origine(e)l(e) artikel(en)

Nederlands

83 (3) 119-124

Titel: 
Chronisch progressief lymfoedeem bij het Belgisch trekpaard in België: klinische fenotypering, prevalentie en analyse van risicofactoren
Auteur(s): 
K. De Keyser, S. Janssens, L.M. Peeters, F. Gasthuys, M. Oosterlinck, N. Buys
Samenvatting: 
Het Belgisch trekpaard is belast met chronisch progressief lymfoedeem (CPL), een bekende, ongeneeslijkeaandoening. Tot op heden bestaat er geen uniform diagnostisch protocol, waardoor eengoede schatting van de prevalentie onbestaande is. Het doel van dit artikel was een eenduidige klinischeonderzoeksmethode te ontwikkelen om de objectiviteit van de CPL-diagnose te verhogen en deprevalentie van CPL bij het Belgisch trekpaard na te gaan. Daarnaast werd aan de hand van statistischemodellen het verband onderzocht tussen bepaalde factoren, zoals de interactie leeftijd-geslacht, vachtkleuren seizoen, enerzijds en het optreden van klinische symptomen anderzijds. Deze studie toontaan dat de prevalentie van CPL hoog is. In de volledige steekproef, waarbij een groot aandeel van depaarden jonger was dan drie jaar, was 60,66% aangetast. In een subset van oudere dieren (≥ 3 jaar)was dat 85,86%. Bij sommige paarden werden reeds milde symptomen gezien vanaf één jaar (14%van de jaarlingen), maar duidelijke letsels kwamen doorgaans voor vanaf de leeftijd van drie jaar. Hetontwikkelde protocol kan de CPL-diagnose en toekomstige gegevensverzameling vergemakkelijken.In de voorliggende studie werden factoren die significant geassocieerd zijn met CPL, i. e. interactieleeftijd-geslacht, vachtkleur en seizoen, geïdentificeerd en gekwantificeerd. Daarmee is de basis gelegdvoor kwantitatief genetisch onderzoek met als ultiem doel CPL bij het Belgisch trekpaard te reduceren. 
Volledige tekst: 
pp 119-124
Origine(e)l(e) artikel(en)

83 (3) 113-118

Titel: 
Risicofactoren voor oorhematomen bij biggen
Auteur(s): 
J. Van den hof, J. Beek, K. Chiers, D. Maes
Samenvatting: 
In deze studie werd het voorkomen van oorhematomen bij gespeende biggen onderzocht enwerd nagegaan of het voorkomen gerelateerd was aan bepaalde risicofactoren. In totaal werdenvijf opeenvolgende groepen biggen (n=10.657) binnen een bedrijf onderzocht vanaf het spenen(drie weken) tot het einde van de biggenbatterij (tien weken). De gemiddelde incidentie per groepbedroeg 2,3%, variërend van 1,3% tot 2,9%. Bij bargen was de incidentie 2,1%, bij zeugen 2,5%(P > 0,05). De incidentie bij biggen van eersteworpszeugen bedroeg 0,92%, bij biggen van meerdereworpszeugenwas dit 2,45% (P < 0,001). De meeste nieuwe gevallen traden vier à vijf wekenna het spenen op. Het risico op het ontstaan van een oorhematoom was ruim tweemaal groterlangs de zijde waar een oormerk aanwezig was (RR = 2,28 [1,74 – 2,98]). Verder onderzoek, bijvoorkeur op meerdere bedrijven, is wenselijk om de resultaten te bevestigen en/of te verklarenen om de controlemaatregelen te optimaliseren.  
Volledige tekst: 
pp 113-118
Origine(e)l(e) artikel(en)

2014 (1) 03-13

Titel: 
Maternale en omgevingsfactoren die significant geassocieerd zijn met het geboortegewicht van holsteinkalveren
Auteur(s): 
E. Depreester, M. M. Kamal, M. Van Eetvelde, M. Hostens, G. Opsomer
Samenvatting: 
In deze studie werden de factoren onderzocht die significant geassocieerd zijn met het geboortegewichtvan een holsteinkalf. De hier beschreven retrospectieve dwarsdoorsnedestudie bij1594 holstein-friesiankalveren en hun moederdieren werd van 2011 tot 2013 uitgevoerd op viermelkveebedrijven in België en één in Duitsland.Bij de primipare moederdieren hadden het geslacht van het kalf, de drachtduur, het afkalfseizoen,de afkalfleeftijd en de grootte van het moederdier bij het afkalven (borstomtrek, schofthoogte,diagonale lengte) een significante invloed op het geboortegewicht (GG). Het GG wassignificant lager bij vaarzen die op zeer oude leeftijd afkalfden (25,5-37,3 maanden) (P < 0,001).Bij het afkalven tussen 22 en 23,5 maanden was het GG hoger dan bij vaarzen die tussen 20,3 en22 maanden of tussen 23,3 en 25,5 maanden afkalfden (P<0,001). Bij de multipare moederdierenhadden het geslacht, het afkalfseizoen, de drachtduur, de pariteit, de lengte van de droogstand ende melkproductie tijdens de dracht (MDRACHT) een significante invloed op het GG (P < 0,001).Het GG van kalveren was respectievelijk 0,97 en 1,11 kg zwaarder bij koeien met een lage (1.400tot < 5.400 kg) en een hoge (6.500 tot < 7.200 kg) MDRACHT dan bij koeien met een zeer hoge(7.200 tot < 11.600 kg) MDRACHT. De negatieve invloed van een vroege of late eerste partus bijvaarzen en van de zeer hoge melkproductie tijdens de dracht bij koeien op het geboortegewichtkan de basis zijn voor verder onderzoek naar de invloed van nutritionele en andere maatregelentijdens de dracht op de productie en gezondheid van de nakomelingen op lange termijn.
Volledige tekst: 
pp 03-13
Origine(e)l(e) artikel(en)

69 (1) 31-37

Titel: 
A DESCRIPTIVE STUDY OF POSTPARTUM ANOESTROUS IN NINE HIGH-YIELDING DAIRY HERDS IN FLANDERS
Auteur(s): 
G. Opsomer, H. Laevens, N. Steegen, A. de Kruif
Samenvatting: 
Fertility data derived from of 3,108 lactation periods in nine high-yielding dairy herds in Flanders were analyzed to determine the incidence and importance of preservice postpartum anoestrous. In 1,291 (42%) of all studied lactation periods studied, no heat was observed within 60 days after calving. Of the cows observed to be in heat within the first 60 days after calving (n=1,817), 622 (34%) had to be examined during regular herd health visits because they had not been observed in heat at the time insemination should be started. Hence, in total, 1,913 (62%) of all lactation periods were identified as having suffered from one or another kind of preservice postpartum anoestrous. Cows not observed in heat within 60 days after calving as well as cows suffering from cessation of cyclicity, both had a significant (P<0.001) increase in days open (26 and 24 days respectively) and a significantly (P<0.05) increased risk of being culled as compared with their normal herdmates (Odds Ratio: 1.41 and 1.44 respectively). There was a significant (P<0.001) variation among the herds in the lactational incidence rate (LIR) both for cows not observed in heat during the first 60 days after calving and for cows with cessation of cyclicity, the former ranging from 21% to 67%, and the latter from 14 to 48% among the herds. Besides significant herd influences, the season of calving was also of major importance. The LIR for cows not observed in heat in the first 60 days after calving was highest for cows calving in April and lowest for cows calving in September (P<0.001). In conclusion, the authors stress the importance of the preservice postpartum anoestrous problem in dairy herds, and explain the need for further investigation of this problem with a view to taking preventive measures.
Volledige tekst: 
pp 31-37
Origine(e)l(e) artikel(en)

69 (1) 24-30

Titel: 
Colic in the horse: a retrospective study
Auteur(s): 
M. Steenhaut, A. Martens, L. Vlaminck, F. Gasthuys, P. Desmet, A. De Moor, T. Mariën, P. Deprez
Samenvatting: 
A retrospective study was performed on 2,264 horses presented with colic at the University of Ghent (Belgium) in the period 1986-1994. In this article, parameters not directly related to a specific type of colic are discussed. Approximately 31.8% of all horses admitted to the clinic of Internal Diseases were presented because of colic. The colic pathology was observed mainly during the spring. A significantly great number of mares and warmblood riding horses were presented, and a significantly lower number of stallions and halfblood horses. The prevalence of colic increased with age, stagnating around the age of 13. One thousand one hundred sixty-eight exploratory laparotomies were performed on 1,069 horses. During the period 1986-1994 the number of surgical interventions gradually increased. The short-term survival rate also increased progressively: by the end of the period studied, it had reached 86.8% for conservative treatment and 73.1% for surgical correction. A variable success rate after surgery was observed among the different surgeons. The determining factors for this variable success were the surgeon’s individual experience in abdominal surgery and the period in which the exploratory laparotomies were performed. The success rate after non-invasive or minimally-invasive surgical techniques was significantly better than after the use of invasive techniques. The most commonly observed postoperative complications were thrombophlebitis, diarrhoea, wound infection and laminitis.
Volledige tekst: 
pp 24-30
Origine(e)l(e) artikel(en)

69 (2) 108-115

Titel: 
CONTROL OF HELMINTH DISEASES ON DAIRY CATTLE FARMS IN FLANDERS/ RESULTS OF A QUESTIONNAIRE SURVEY
Auteur(s): 
E. Claerebout, J. Agneessens, D. Demeulenaere, J. Vercruysse
Samenvatting: 
In 1998 a questionnaire was sent to 2280 dairy cattle farmers in Flanders, Belgium, to investigate whether the pasture management included measures to control gastrointestinal nematodes, whether chemoprophylaxis was applied and whether chemoprophylaxis and grazing management were integrated, rather than superimposed. Information was also gathered on the control measures against lungworm and liver fluke. On 82% of the farms, the grazing management included preventive measures against gastrointestinal nematodes, such as rotational grazing (21.8%), grazing on aftermath (57.0%), or late turnout (26.1%). Nevertheless, the calves received preventive anthelmintic treatment on 69.9% of the farms. At least on 18.3% of the farms preventive pasture management was combined with intensive chemoprophylaxis, which may be ‘overprotective’. On the other hand, on 7.4% of the farms no protective measures against gastrointestinal nematodes were taken. Only 15.1% of the farmers vaccinated their calves against Dictyocaulus. Cattle were treated against liver fluke on 12.1% of the farms.
Volledige tekst: 
pp 108-115
Origine(e)l(e) artikel(en)

69 (3) 190-196

Titel: 
OMENTOPEXY FOR CORRECTION OF RIGHT ABOMASAL DISPLACEMENT: RESULTS IN 135 COWS
Auteur(s): 
L. Vlaminck, M. Steenhaut, F. Gasthuys, A. Martens, P. Desmet, L. Van Brantegem, A. De Moor
Samenvatting: 
One hundred and thirty-five cows were surgically treated for correction of right displaced abomasum (RDA) using the right flank omentopexy technique. In 33 cows an abomasal dilatation was diagnosed. Abomasal volvulus was found in 99 animals and omaso-abomasal volvulus in 3. In-hospital mortality was 15% (n = 20). None of the cows with abomaso-omasal torsion survived. Ninety-seven percent (n = 32) of the cows with abomasal dilatation and 84% (n = 83) of the cows with abomasal volvulus were discharged from the clinic. Six months after surgery, 94% of the cows with abomasal dilatation had survived. This percentage fell to 88.5% after another half year. For cows with abomasal volvulus, these survival rates were 74% and 62%, respectively. Regardless of the type of abomasal dislocation, 77% of the total group of animals survived after six months and 66% after one year. Six months after surgery, good milk production was reported in 67% (n = 58) of the surviving cows; this figure rose to 91% of the surviving cows (n = 63) after 12 months.
Volledige tekst: 
pp 190-196
Origine(e)l(e) artikel(en)

69 (4) 258-267

Titel: 
POSSIBILITIES TO LOWER THE NITROGEN AND AMMONIA EMISSIONS IN GROWING PIGS BY ADJUSTING THE FEED COMPOSITION
Auteur(s): 
V. Debal, G.P.J. Janssens, M. Seynaeve, H. De Rycke, M. Hesta, R. De Wilde
Samenvatting: 
Three different feeding systems were applied for each of which the protein content decreased differently in time. Urine and faeces were collected separately in metabolism cages without volatilisation of ammonia to determine the daily amount of nitrogen retained and excreted. In the stable the litter was collected after ammonia volatilisation. The samples were analysed for nitrogen. The three feeding systems did not differ in growth, feed conversion or carcass composition. The nitrogen retention was higher in gilts than in barrows. The percentage nitrogen emission through urine increased with age; the faecal nitrogen emission stayed unchanged. The reduction of feed nitrogen reduced the total nitrogen emission by the decrease of the urinary nitrogen emission. As a consequence, the potential ammonia-emission was reduced. The supply of protein-poor feed and multi-phase feeding is a valid option to lower nitrogen and ammonia emissions in growing pigs.
pp 258-267
Origine(e)l(e) artikel(en)

69 (5) 338-341

Titel: 
PREVALENCE AND PATHOGENIC SIGNIFICANCE OF CIRCOVIRUS-LIKE INFECTIONS IN RACING PIGEONS (COLUMBA LIVIA)
Auteur(s): 
P. Tavernier, P. De Herdt, H. Thoonen, R. Ducatelle
Samenvatting: 
The prevalence of circovirosis in 158 young racing pigeons necropsied in the Avian Diseases Clinic of Ghent University (Belgium) between January and August 1999 was 19%. The highest incidence was observed between March and May. The frequency and nature of concurrent infections, lesions and clinical signs were identical in pigeons that were positive and pigeons that were negative for circovirus infection, though mortality was significantly higher in the former. Findings indicate that circovirosis is an infection that is frequently associated with mortality in young pigeons. Clinical indications for the immunosuppressive effects of circovirus were not found.
Volledige tekst: 
pp 338-341
Origine(e)l(e) artikel(en)

69 (5) 334-337

Titel: 
A SURVEY OF ANTHELMINTIC RESISTANCE ON BELGIAN HORSE FARMS
Auteur(s): 
P. Dorny, I. Meijer, K. Smets, J. Vercruysse
Samenvatting: 
A survey to determine the prevalence of anthelmintic resistance of cyathostomes was carried out on 13 horse farms distributed over five different Belgian provinces. Based on faecal egg count reduction tests, resistance to mebendazole (a benzimidazole) was demonstrated on 12 (92%) of these 13 farms. The efficacy ranged from 0% to 100%. The efficacy of pyrantel could be evaluated on only three farms, where the faecal egg count reduction varied from 83% to 96%, which suggested a reduced efficacy of this drug on one farm. The very high prevalence of mebendazole resistance in this study shows that drugs of the (pro-)benzimidazole family should not be used to control cyathostome infections. This survey also demonstrates that the efficacy of anthelmintics used for cyathostome control programmes on horse farms should be routinely evaluated.
Volledige tekst: 
pp 334-337
Origine(e)l(e) artikel(en)

Pagina's