Origine(e)l(e) artikel(en)

Nederlands

86 (6) pp 361

Titel: 
Klinische en biochemische aspecten van de orale supplementatie van organische sporenelementen aan Belgisch witblauwe koeien tijdens de late dracht
Auteur(s): 
H. GUYOT, J. MARTÍN-TERESO, W. LITJENS, B. BRUTSAERT, L. DESMET, G. CHELEUX, P. DUBREUCQ, F. ROLLIN
Samenvatting: 
Vleesvee is gevoelig voor een tekort aan sporenelementen. In deze studie wordt het effect van supplementatiemet organische of anorganische sporenelementen onderzocht. Drachtige koeien op dertienWaalse bedrijven met Belgische witblauwe dieren werden verdeeld in twee gelijke groepen, resulterendin een “random-block-design” met twee behandelingen en zesentwintig experimentele eenheden(halve bedrijven) met het bedrijf als “block”. De dieren in groep A kregen een supplement dat 50%organisch selenium, zink en koper bevatte en 50% anorganische sporenelementen, terwijl de dierenin groep B 100% anorganische sporenelementen kregen. Zink in bloed (p=008), selenium in bloed(p<0,01) en colostrum (p<0,01) waren hoger in groep A. Er waren geen verschillen (p>0,1) op hetgebied van gezondheid en kalvergroei. Alhoewel de dierprestaties gelijk waren voor de twee verschillendebehandelingen, resulteerde de supplementatie met organische sporenelementen in een hogerenutritionele efficiëntie voor het behoud van de selenium- en zinkstatus. Daarnaast leek deze supplementatiede ontsteking die geassocieerd is met een keizersnede te verminderen.
Volledige tekst: 
pp 361-371
Origine(e)l(e) artikel(en)

86 (6) pp 351

Titel: 
MRI-gebaseerde morfometrische analyse gerelateerd aan chiari-achtige malformatie bij brachycefale hondenrassen
Auteur(s): 
C.R. GORDON, K. MARIONI-HENRY, P. AMENGUAL, T. LIUTI
Samenvatting: 
Het doel van deze studie was om de potentiële verschillen en correlaties te onderzoeken tussen dehersen- en schedelmorfologie en de klinische klachten van brachycefale hondenrassen met en zonderchiari-achtige malformaties (CLM). Van MRI-afbeeldingen van de hersenen en de craniocervicaleovergang van dertig brachycefale honden met de nek in flexie werden verscheidene metingen afgeleid.Aan elke hond werd een klinische score toegewezen. Er was sprake van een significant kleinere afstandtussen het planum van het foramen magnum en de pons, wat bewijs leverde voor craniocefaliedisproportievergelijkbaar met de chiari-malformatie type I bij de mens. De cerebrale lengte in relatietot de craniale lengte bij de honden met CLM was significant groter dan die van de honden in de controlegroepzonder CLM. Dit ondersteunde de hypothese dat er bij CLM sprake is van een globale overpopulatievan de hersenen; dit in tegenstelling tot bij de mens. Er was sprake van een significante correlatietussen deze metingen en de mate van cerebellaire herniatie. Er werden echter geen significanteverschillen tussen, noch correlaties met de klinische score aangetoond. Dit is de eerste beschrijving vaneen morfometrische analyse van een uitsluitend brachiocefale populatie bij zowel een studiegroep metCLM als een controlegroep zonder CLM.
Volledige tekst: 
pp 351-360
Origine(e)l(e) artikel(en)

86 (2) pp 079

Titel: 
C-reactief proteïneconcentraties in het serum van honden met idiopathische epilepsie
Auteur(s): 
E. SEGERS, V. MARTLÉ, S. PIEPERS, L. VAN HAM, S.F.M. BHATTI,
Samenvatting: 
Inflammatoire reacties bij honden zijn geassocieerd met systemische veranderingen in het serum,de acute fase respons genaamd. Deze gaat gepaard met veranderde concentraties acutefase-eiwittenin het serum. Het C-reactief proteïne (CRP) is een positief acutefase-eiwit en stijgt bijgevolg bij eenontsteking. Er bestaat veel onduidelijkheid over de relatie tussen epilepsie en ontsteking. Daaromwerd in deze studie de rol van ontsteking onderzocht bij honden met idiopathische epilepsie (IE). Driedoelstellingen werden vooropgesteld: 1. het meten van serum-CRP-concentraties bij honden met IE enbij gezonde honden, 2. het meten van serum-CRP-concentraties bij honden met acute clusteraanvallenen bij honden met geïsoleerde aanvallen en 3. het opvolgen van de evolutie in serum-CRP-concentratiesin de tijd na de laatste epilepsieaanval. In deze studie kon geen significant verschil in serum-CRPconcentratietussen honden met IE en de honden van de controlegroep worden aangetoond. Verderwaren de gemiddelde serum-CRP-concentraties hoger bij honden met clusteraanvallen (8,3 mg/l) danbij honden met geïsoleerde aanvallen (7,8 mg/l). Deze resultaten waren echter statistisch niet significant(P = 0,077). Ten slotte werd een statistisch niet-significante daling in serum-CRP-concentraties gezienna de laatste epileptische aanval bij de honden met IE (P = 0,077).
Volledige tekst: 
pp 079-083
Origine(e)l(e) artikel(en)

86 (2) pp 073

Titel: 
Voorkomen van gastrale helicobacters in speeksel en feces van honden en katten
Auteur(s): 
H. BERLAMONT, M. JOOSTEN, R. DUCATELLE, F. HAESEBROUCK, A. SMET
Samenvatting: 
In de maag van meer dan de helft van de honden en katten worden Helicobacter-bacteriënaangetroffen, zowel bij dieren zonder klinische tekens als bij dieren met chronische maagproblemen.Deze bacteriën kunnen tevens ernstige maagpathologiëen veroorzaken bij de mens. Hoe gastralehelicobacters overgedragen worden tussen dieren en van dieren naar mensen is nog niet volledigopgehelderd, maar er wordt gesuggereerd dat direct contact een rol kan spelen. Om na te gaanof speeksel en feces zouden kunnen fungeren als bron van transmissie, werd de aanwezigheidnagegaan van gastrale Helicobacter-species in orale swabs en feces van honden en katten.In deze studie werden 155 speekselstalen en 141 fecesstalen verzameld van 106 honden en 58katten. Van 22 honden werd bovendien een maagbiopt verzameld om na te gaan of de Helicobacterspeciesaanwezig in het speeksel en/of de feces ook terug te vinden zijn in de maag van deze dieren.Alle stalen werden onderzocht op het voorkomen van Helicobacter-DNA via species-specifiekeqPCRs en sequentieanalysebepalingen van de bekomen amplicons.Bij 43% van de honden en 41% van de katten werden één of meer positieve stalen gevonden.Helicobacter-species werden gedetecteerd in 29% van de speekselstalen, 37 % van de fecesstalen en41% van de maagbiopten. Bovendien bleek dat honden en katten met meer dan één Helicobacterspeciestegelijkertijd geïnfecteerd konden zijn. Er kon echter geen duidelijke correlatie aangetoondworden tussen de aanwezigheid van een bepaalde Helicobacter-species in de maag van hondenen de detectie ervan in hun speeksel en feces. De hier gebruikte testen lieten evenmin toe om nate gaan of het gedetecteerde DNA afkomstig was van leefbare Helicobacter-kiemen. Bijkomendestudies zijn bijgevolg noodzakelijk om het belang van speeksel en feces als besmettingsbron voorandere dieren en mensen met gastrale Helicobacter-species te bevestigen.
Volledige tekst: 
pp 073-078
Origine(e)l(e) artikel(en)

86 (1) pp16

Titel: 
Evaluatie van de ruminale functie bij Belgische melkkoeien verdacht van subacute pensacidose
Auteur(s): 
F. LESSIRE, E. KNAPP, L. THERON, J.L HORNICK, I. DUFRASNE, F. ROLLIN
Samenvatting: 
Sinds jaren wordt subacute pensacidose (SARA) beschouwd als een belangrijk probleem ophoogproductieve melkveebedrijven. Meerdere studies uitgevoerd in Europa bevestigen dit. Er zijnechter belangrijke verschillen in de productie en de voeding van melkvee in Wallonië. Het doel vandeze studie is na te gaan of de melkkoeien op Waalse bedrijven verdacht van SARA, werkelijk een telage zuurtegraad (pH) van de pensinhoud hebben.Vierentwintig melkveebedrijven werden bezocht en van 172 koeien werd pensvocht afgenomenvia een slokdarmsonde, i.e. sonde van Geishauser. Van elk staal werd de pH-waarde bepaald, demethyleenblauw-reductietest werd uitgevoerd en de beweeglijkheid van de protozoa werd microscopischbeoordeeld. Gebaseerd op die analyses had geen enkele geteste melkkoe een penspH lager dan 5,5.Slechts tien melkkoeien konden in aanmerking komen als risicodieren voor SARA. Daarentegenwerd bij achttien dieren vastgesteld dat de pH hoger was dan 7,0 en dat hun pensflora onvoldoendeactief was. Uit deze studie blijkt dat pensalkalose meer voorkomt dan SARA op hedendaagse Waalsemelkveebedrijven.
Volledige tekst: 
pp 16-23
Origine(e)l(e) artikel(en)

85 (6) pp 335-342

Titel: 
De werkzaamheid van chloroquinebehandeling van Giardia duodenalis-infectie bij kalveren
Auteur(s): 
M. GULTEKIN, K. URAL, N. AYSUL, A. AYAN, C. BALIKCI, G. AKYILDIZ
Samenvatting: 
SAMENVATTINGHet doel van deze studie was om het effect van chloroquinebehandeling te evalueren op de cysteexcretievan kalveren met een natuurlijke infectie met Giardia duodenalis. De kalveren werden willekeurigingedeeld in twee groepen op basis van placebo (groep I, n = 7 onbehandelde controlekalveren)of behandeling (groep II, n = 7 kalveren behandeld met chloroquine). De behandeling gebeurde doororale toediening, tweemaal daags gedurende vijf opeenvolgende dagen aan een dosis van 2,5 mg/kglichaamsgewicht. Door middel van moleculaire typering met ß-giardin geneste PCR en gensequentieanalysewerden de G. duodenalis-isolaten geïdentificeerd als behorende tot het A3-assemblage. Cysteuitscheidingwerd bepaald op dag 0, 3, 7 en 10, zowel voor als na de behandeling. De geometrischegemiddelden van het aantal uitgescheiden cysten waren niet significant veranderd tijdens het experimentin de controlegroep. De cyste-excretie was met 99% verminderd op dag 3 en met 100% op dag7 en 10 bij de behandelde kalveren. Chloroquine is dus mogelijk een praktisch haalbare, relatief goedkopeen zeer effectieve behandeling tegen giardiose bij kalveren.
Volledige tekst: 
pp 335-342
Origine(e)l(e) artikel(en)

85 (5) pp 285

Titel: 
Infectieuze bronchitisvirusinfecties bij kippen in België: een epidemiologisch onderzoek
Auteur(s): 
P. DE HERDT, M. DE GUSSEM, S. VAN GORP, R. CURRIE
Samenvatting: 
Tussen april 2012 en juli 2015 werden swabs genomen uit de cloaca en/of trachea bijvierhonderdvierentwintig tomen Belgische kippen, zowel vleeskuikens, ouderdieren als leghennen. Alletomen werden voor commerciële doeleinden gehouden en ze vertoonden klinische symptomen die kondenwijzen in de richting van een infectieuze bronchitisvirus (IBV)-infectie. De monsters werden onderzocht via“real-time polymerase chain reaction” (RT-qPCR) om de aanwezigheid van ribonucleïnezuur (RNA) vanIBV na te gaan. Wanneer ze positief bleken, werd een sequenering uitgevoerd van ongeveer vierhonderdbaseparen (bp) die coderen voor de hypervariabele regio van het S1-proteïne. De gevonden sequenties,de “cycle treshold” (Ct)-waarden en het toegediende entschema werden gebruikt om de veldstammen envaccinstammen van elkaar te kunnen onderscheiden.Van alle onderzochte monsters was 22,4% negatief. In 16,4% van de monsters waarin RNA van IBVaanwezig was, kon het genotype niet bepaald worden. Dit was vooral omdat de hoeveelheid RNA lager wasdan de onderste detectiegrens van de sequeneringsPCR. In de overige positieve monsters werd vooral RNAvan IBV-stammen die behoorden tot de genotypes 4/91–793B (46,8%), D388–QX (25,2%), D274-D207(5,8%) en Massachusetts (4,0%) aangetroffen. Schattingen duidden erop dat respectievelijk ongeveer58%, 11%, 37% en 46% van de aangetoonde virussen, vaccinstammen waren. Infecties met types CK/CH/Guandong/Xindadi/0903, Ukr/27/2011, NGA/295/2006 en Q1 werden occasioneel gevonden.De resultaten tonen aan dat IBV-infecties bij kippen in België frequent voorkomen en dat in degemonitorde periode minstens acht IBV-types circuleerden. Dit bevestigt de noodzaak om kippentomen tevoorzien van een sterke en breed beschermende immuniteit tegen IBV.
Volledige tekst: 
pp 285-290
Origine(e)l(e) artikel(en)

85 (3) pg 141

Titel: 
“Thunder Measure Vet Device”: een praktische en objectieve methode om de lichaamsconditie van melkvee te schatten
Auteur(s): 
T. DEWAELE, M. VAN EETVELDE, G. VERTENTEN, G. OPSOMER
Samenvatting: 
Het op regelmatige tijdstippen bepalen van de lichaamsconditie van koeien is in de modernemelkveehouderij een belangrijk instrument om het nutritionele management van de dieren teoptimaliseren. De ‘Thunder Measure (TM) Vet Device’ werd door Ingenera SA, Zwitserlandontwikkeld om op een objectieve en eenvoudige manier de conditie of “body condition score”(BCS) bij melkkoeien te bepalen. Aan de hand van een smartphone-applicatie gekoppeld aan eenlasertoestel wordt een analyse gemaakt van drie foto’s van de dorsale zijde van het dier, bijvoorbeeldin de voedergang. In dit onderzoek werden de correlatie en de herhaalbaarheid van de TMVetDevice berekend in vergelijking tot de conventionele BCS-bepaling en de ultrasonografischbepaalde “backfat thickness” (BFT). De conventionele BCS werd gemeten door een dierenartservaren in het bepalen van de conditie van melkkoeien en drie minder ervaren studenten diergeneeskunde.Bij dezelfde koeien werd de lichaamsconditie ook bepaald aan de hand van de BFT.De resultaten bekomen via het gebruik van de TM-Vet Device waren slechts matig gecorreleerdmet de BFT (r=0,38; P<0,001), maar vertoonden een hoge correlatie met de BCS bepaald door deervaren dierenarts (r=0,82; P<0,001). Bovendien was er een goede overeenkomst tussen de resultatenbekomen met behulp van TM-Vet Device en deze bekomen door de ervaren dierenarts. Erwerd een grote variatie gezien in de BCS bepaald door de studenten, waardoor ook de correlatiemet de TM-Vet Device sterk varieerde van r=0,23 (P<0,05) tot r=0,74 (P<0,001). De herhaalbaarheidvan de TM-Vet Device-methode was met 91% zeer hoog. Enkel door de dierenarts ervarenin het scoren van de BCS (93%) en met de bepaling van de BFT (96%) werd een hogere herhaalbaarheidbereikt. Bij magerdere dieren werd een overschatting gezien van de BCS gemeten metbehulp van de TM-Vet Device in vergelijking met de BCS waargenomen door de ervaren dierenarts,maar deze nam af naarmate de door de dierenarts toegekende conditie toenam.Het eenvoudig gebruik en de betrouwbaarheid van de resultaten laten toe te stellen dat deTM-Vet Device een plaats kan krijgen in het management van een hoogproductief melkveebedrijf.
Volledige tekst: 
pp 141-149
Origine(e)l(e) artikel(en)

85 (2) pg 78

Titel: 
Radiografisch en echografisch onderzoek van de slokdarm bij het paard
Auteur(s): 
K. PALMERS, E. VAN DER VEKENS, E. PAULUSSEN, MT. PICAVET, B. PARDON, G. VAN LOON
Samenvatting: 
In deze studie worden de radiografische en echografische bevindingen van de slokdarm bij tien gezondepaarden beschreven. Bij contrastradiografie varieerde de vorm van de slokdarm over de lengteaster hoogte van de borstingang tussen de paarden. Twee van de tien paarden vertoonden stase van contrastter hoogte van de borstingang gedurende meerdere minuten na de toediening van een groot volumecontrast met een slokdarmsonde. Op echografie was de wanddikte van de niet-uitgezette slokdarm2.6 ± 0.3 mm met significante verschillen naar gelang de metingsplaats. Het dilateren van de slokdarmmet een sonde, een bolus water of krachtvoer, resulteerde in een dunnere wanddikte en vergemakkelijktede meting met minder variatie. Na het opgieten van een bolus water was er stase te zien ter hoogtevan de borstingang bij vijf van de tien paarden. Het echografisch beoordelen van de slokdarmmotiliteitter hoogte van de borstingang leek het betrouwbaarst door de passage van een krachtvoerbolus teevalueren. Stase ter hoogte van de borstingang veroorzaakt door het opgieten van een bolus vloeistofis niet abnormaal en de peristaltische golf volgend op een slikbeweging heeft een positieve invloed opde transittijd van een bolus.
Volledige tekst: 
pp 078-086
Origine(e)l(e) artikel(en)

85 (1) pg 15

Titel: 
Evaluatie van de mini-FLOTAC-methode voor de detectie van gastro-intestinale parasieten bij grote huisdieren
Auteur(s): 
N. VAN DEN PUTTE, E. CLAEREBOUT, B. LEVECKE
Samenvatting: 
Voor de microscopische diagnose van gastro-intestinale parasieten bij grote huisdierenwerd recent een nieuwe techniek ontwikkeld, de mini-FLOTAC. In deze vergelijkende studievan diagnostische technieken werd de mini-FLOTAC vergeleken met de standaard McMastertechniekop basis van de detectie (gevoeligheid) en kwantificatie (aantal oöcysten/eieren per grammest (OPG/EPG)) van parasitaire infecties bij grote huisdieren en de tijd die nodig is om eendiagnose te stellen. In totaal werden honderd meststalen (78 paarden, 11 runderen, 6 schapen en5 geiten) onderzocht met beide technieken. Mini-FLOTAC was gevoeliger dan McMaster, maarer was een zeer hoge correlatie in eieren per gram (EPG) feces (correlatiecoëfficiënt = 0,90, p <0,001). De benodigde tijdsduur voor het onderzoeken van stalen met de mini-FLOTAC-techniek(13 minuten) lag significant hoger (p < 0,05) dan de tijd die nodig was met de McMaster-techniek(6 minuten). Dit verschil in tijdsduur was eveneens afhankelijk van de bekomen EPG-waarde,waarbij het tijdsverschil tussen beide technieken nog sterk vergrootte voor hogere waarden.Er kan geconcludeerd worden dat de mini-FLOTAC-techniek het beste gebruikt kan wordenwanneer een accurate diagnose van een lage besmettingsgraad nodig is, bijvoorbeeld voor dedetectie van anthelminthicumresistentie. In andere gevallen kan de voorkeur worden gegevenaan de snellere McMaster-methode.
Volledige tekst: 
pp 15-22
Origine(e)l(e) artikel(en)

Pagina's