86 (6) pp 388

Titel: 
Van rondtrekkende beerhouders naar topgenetica
Auteur(s): 
J. DE SMET
Samenvatting: 

Een kort overzicht wordt gegeven van de geschiedenis van de varkensselectie na WereldoorlogII. Aanvankelijk speelden rondtrekkende beerhouders hierin een belangrijke rol. De door henondersteunde selectie naar een betere vlees-vetverhouding met minder aandacht voor groei, voederomzeten vruchtbaarheid, werd gestimuleerd door berenkeuringen, het varkensstamboek enfokvarkensveilingen. De selectie had voor gevolg dat bijna de hele Belgische varkenspopulatiegebaseerd op het Belgisch landvarken en de piétrain stressgevoelig werd. Voor het opsporen vande stressgevoeligheid werd in de zeventiger jaren van de vorige eeuw de halothaantest op puntgesteld. De inzet van stressnegatieve beren voor de fok van productiezeugen zorgde al snel vooreen opmars van het stressnegatieve gen in het Belgisch landras. Vanaf 1985 werden die varkensingeschreven in een apart stamboek ‘Belgisch halothaan-negatief’. Zo kwam men geleidelijktot zeugenlijnen die homozygoot stressnegatief waren (AA): het Belgisch negatief ras of BN-ras.In 1981-82 werd de halothaantest stopgezet. Men kweekte verder met de lijnen die stressnegatiefwaren. Vanaf 1992 werd ook bloedonderzoek mogelijk: met een DNA-test kon het genotypevan de dieren op het gebied van stressgevoeligheid opgespoord worden. Door de introductie vankunstmatige inseminisatie (KI) kon men relatief kleine piétrainberen inzetten op de grote zeugenvan het Belgisch landras. Daardoor volstond een minder bevleesde zeug om toch tot de besteslachtvarkens te komen. Dus kon men de zeugen opnieuw selecteren op vruchtbaarheid en worpgrootte.Door gebruik te maken van de hybridefoktechniek kon men selecteren op worpgrootte(bij de zeugen) en op bevleesdheid (bij de beren). Bij kruisingen bekomt men veel biggen metvoldoende vleesaanzet. Bijna alle slachtvarkens bij ons hebben een piétrainbeer als vader.De technieken gebruikt bij de natuurlijke dekking, de sperma-afname en de kunstmatige inseminatieworden beschreven, samen met de factoren die de bevruchtingsresultaten beïnvloeden.De drachtigheidsresultaten worden voor een belangrijk stuk bepaald door de manier waarop debronstdetectie uitgevoerd wordt. Op grote fokbedrijven wordt zaad van de beren afgenomen enter plaatse geïnsemineerd. In andere gevallen gebeurt dit in de KI-centra, waarbij het verdundesperma na controle op kwaliteit rechtstreeks bij de zeugenhouders wordt afgeleverd die dan zelfde inseminaties uitvoeren. In 2010 werden negen op tien Vlaamse biggen kunstmatig verwektmet sperma uit een erkend KI-centrum.

Volledige tekst: 
pp 388-394
Uit het verleden