Voor de praktijk

Nederlands

75 (5) 364-376

Titel: 
De belangrijkste huidaandoeningen bij cavia’s
Auteur(s): 
S. ROELANDT, K. HERMANS
Volledige tekst: 
pp 364-376
Voor de praktijk

76 (5) 359-368

Titel: 
Validiteit van de Maatschappelijk Aanvaardbaar Gedrag (MAG)-test als meetinstrument voor de mate van agressie bij honden ten opzichte van onbekenden
Auteur(s): 
J. PLANTA, R. DE MEESTER
Samenvatting: 
Sinds enkele jaren zijn agressieve honden een reden voor bezorgdheid bij overheden en hondenfokverenigingen.Om de neiging tot agressie bij honden te kunnen inschatten, werd in 1997 een agressietest ontworpen.Deze test bestond uit 43 subtests, moest in een binnenruimte worden afgenomen en nam ongeveer 45 minutenper hond in beslag. Omdat het onmogelijk bleek deze test te doen bij een grote populatie honden, heeft de Raadvan Beheer, de Nederlandse kynologische vereniging, aan de eerste auteur gevraagd een kortere versie van dezetest te ontwikkelen die bij voorkeur buiten zou kunnen afgenomen worden. Deze test, de MAG (MaatschappelijkAanvaardbaar Gedrag)-test, bestaat uit slechts 16 subtests en wordt buiten afgenomen. De definitie van agressiefbijten in de test omvat niet alleen het agressief bijten en snappen, maar ook het agressief uitvallen door dehond met de bedoeling te bijten maar waarbij de hond door de lengte van de leiband belet wordt dit te doen. Indit artikel wordt de validiteit van de test voor het agressief bijten onderzocht uitgaande van de analyse van degegevens van 330 honden. Daarvoor werd een vergelijking gemaakt tussen het resultaat van de test en het agressiefbijtgedrag van de honden dat ze vóór het uitvoeren van de test vertoonden, zoals werd meegedeeld door deeigenaars en bevestigd door gedragsconsultants. De overeenkomst tussen de bijtgeschiedenis van de hond en hettestresultaat is 82%, als er geen enkele agressieve beet in de test wordt aanvaard. Wanneer het agressief bijten inmaximum één van 8 specifieke subtests wordt toegestaan, dan stijgt de overeenstemming tot 88% en vertonen 18van de 27 valsnegatieve honden (28,7%) enkel territoriale agressie in hun bijtgeschiedenis. In een tweede fasewerd de voorspelbaarheid van agressief bijtgedrag tijdens de test berekend door het resultaat van 220 honden tevergelijken met hun bijtgedrag gedurende een periode van minstens één jaar na de test, zoals door de eigenaarswerd meegedeeld. Deze voorspelbaarheid bedraagt 81%. De test wordt geacht om op een statistisch significantemanier het optreden van het toekomstig agressief bijten van onbekenden door honden in een niet-territoriale contextte voorspellen gedurende het eerstvolgende jaar na het uitvoeren van de test. Het bestaan van valsnegatieveresultaten betekent dat de veronderstelling dat een hond die geslaagd is voor de test, later nooit zal bijten nietcorrect is, vermits agressie vaak zeer contextgebonden is. De waarde van een individuele test kan het best wordengezien als een aanvulling op andere evaluatiemethoden, zoals een gedragsconsult en een risico-evaluatie. Verderonderzoek is nodig om het individuele resultaat van de hond te vergelijken met zijn gedrag tijdens een langereperiode. Ook het gebruik van de test als hulpmiddel in fokprogramma’s moet verder onderzocht worden.
Volledige tekst: 
pp 359-368
Voor de praktijk

77 (1) 40-46

Titel: 
Arbeidsgerelateerde gezondheidsaandoeningen bij praktiserende dierenartsen in Vlaanderen
Auteur(s): 
C. MEERS, J. DEWULF, A. DE KRUIF
Samenvatting: 
Dierenartsen blijken vaak arbeidsongeschikt te zijn door werkgerelateerde ziekten en ongevallen. Aande basis liggen verschillende risicofactoren die met de uitoefening van het beroep verband houden. Steedsvaker treden er ook psychische klachten op zoals depressie en burn-out. Tot op heden is er nog maar weiniginformatie beschikbaar over de mate van het voorkomen van arbeidsgerelateerde fysische en psychischeaandoeningen bij practici in Vlaanderen. Het doel van deze studie was dan ook om aan de hand van een enquêtebij 229 Vlaamse dierenartsen, verdeeld over de verschillende subdisciplines, een overzicht te gevenvan het voorkomen van de belangrijkste arbeidsgerelateerde aandoeningen. In de enquête werden vragengesteld over allergieën, fysische en chemische gevaren, zoönosen, aandoeningen van het musculo-skeletaalstelsel en de psychische belasting van het beroep. Uit de resultaten blijkt dat 35% van de respondenten lastheeft van nasale allergie, allergische symptomen aan de ogen of astma. Binnen deze groep is 38% van degevallen te wijten aan een allergeen van dierlijke oorsprong. Eén op vier heeft last van eczeem op handen,polsen en/of onderarmen. Maar liefst 62% van de respondenten heeft last van rugklachten, deze komenvoor in alle typen van praktijken. Nekklachten komen voornamelijk voor bij dierenartsen die werken metkleine huisdieren en paarden. Elleboogklachten ziet men vooral bij rundveedierenartsen, en klachten aande knieën bij rundvee- en paardendierenartsen. Krabwonden van katten (67%), bijtwonden van kattenof honden (64%), een trap van een paard of rund (61%), een bijtwonde van een paard (16,6%), prikincidenten(61%) en snijincidenten (56%) komen vaak voor. Bijna 50% van de respondenten geeft aan reedsminstens één maal een zoönose doorgemaakt te hebben, waarvan 39% te wijten is aan huidschimmels. Eénop 4 dierenartsen die frequent werken met gasanesthesie heeft af en toe last van hoofdpijn en misselijkheid.Tot slot blijkt dat voltijds werkende Vlaamse dierenartsen gemiddeld 58 uur per week werken, (minimum= 7, maximum = 100) en 89% geeft aan minstens af en toe last te hebben van stress. Op basis vande verzamelde gegevens kan worden geconcludeerd dat het beroep van dierenarts verschillende risico’sinhoudt, zowel voor grote als kleine huisdierenpractici. Deze resultaten duiden ook op de noodzaak voormeer en betere informatie en preventie want verschillende van de veel voorkomende problemen kunnenvermeden worden.
Volledige tekst: 
pp 40-46
Voor de praktijk

77 (5) 325-330

Titel: 
Toxoplasmose bij Belgische huiskatten: aanbevelingen voor de eigenaars
Auteur(s): 
S. DE CRAEYE, A. FRANCART, J. CHABAUTY, S. VAN GUCHT, I. LEROUX, E. JONGERT
Samenvatting: 
Huiskatten leven in de nabijheid van hun eigenaar en worden aanzien als een bron van toxoplasma-infectie bijde mens. Vierhonderd en tien sera afkomstig van gezonde huiskatten van 3 maanden tot 8 jaar oud, uit verschillendedelen van België, werden onderzocht. Nagenoeg 27% van de katten was positief voor toxoplasma IgG- en/of IgMantilichamen.De toxoplasmaseroprevalentie was het laagst in Vlaanderen (20,4%), gevolgd door Brussel (30,9%)en Wallonië (35,0%). De seroprevalentie nam toe met de leeftijd van de kat, gaande van 2% bij katten jonger dan 12maanden tot 47% bij katten van 7 jaar oud. Infectiepieken traden vooral op bij de leeftijd van 12 tot 23 maanden(17,6%) en bij katten van 6 jaar (14,0%).De data geven aan dat een seronegatieve kat 5,5% kans heeft om in het volgende jaar een infectie op te lopen.Het risico op een transfer van toxoplasmose van de huiskat naar de eigenaar wordt besproken.
Volledige tekst: 
pp 325-330
Voor de praktijk

77 (5) 319-324

Titel: 
Een alternatieve methode van intraveneuze vochttherapie bij rundvee: het oorinfuus in de praktijk
Auteur(s): 
I. KOLKMAN, M. VAN AERT, A. DE KRUIF
Samenvatting: 
In dit artikel wordt een beschrijving gegeven van de aanpak van en de materialen die nodig zijn voor eeninfuus via de oorvene van runderen in de praktijk. Met behulp van deze methode is het mogelijk om zowel aankalveren als aan koeien een groot volume vocht gespreid over een langere tijd toe te dienen. Naast de anatomievan het oor wordt de infusietechniek stap voor stap besproken. Volgens de ervaring van de auteurs kan dezemethode mits enige oefening vlot in de praktijk worden toegepast zonder complicaties en met beperkte kosten.
Volledige tekst: 
pp 319-324
Voor de praktijk

77 (6) 421-428

Titel: 
Gebruik van progestagenen bij de teef en de kattin: een enquête bij Vlaamse kleine huisdierenpraktijken
Auteur(s): 
B. MADDENS, T. RIJSSELAERE, J. DEWULF, A. VAN SOOM
Samenvatting: 
Het toedienen van progestagenen bij de teef en de kattin voor de controle van de oestrus impliceert risico’sop het optreden van reproductieve en niet-reproductieve nevenwerkingen. Andere anticonceptieve methoden,zoals chirurgische sterilisatie, vormen een volwaardig alternatief. Het doel van dit artikel was na te gaan hoeen in welke mate progestagenen gebruikt worden in de kleine huisdierenpraktijk. Deze informatie werdverzameld door middel van een enquête die beantwoord werd door 80 Vlaamse dierenartsen.Chirurgische sterilisatie wordt door 98% van de dierenartsen aan de eigenaar aangeraden voor de controlevan loopsheid of krolsheid van zijn dier. Toch worden progestagenen bij de teef en de kattin nog voorrespectievelijk 71% en 58% door de praktijken gebruikt. Bij de teef worden vooral de injecteerbareformuleringen van medroxyprogesteronacetaat en proligeston aangewend; bij de kattin de orale toedieningvan megestrolacetaat. Een toenemende eetlust en gewicht, melkklierneoplasie en cysteuze endometrium -hyperplasie/pyometra zijn de nevenwerkingen die door dierenartsen bij beide diersoorten het meest gezienworden.
Volledige tekst: 
pp 421-428
Voor de praktijk

78 (4) 270-275

Titel: 
De techniek van de keizersnede bij het rund zoals uitgevoerd door Vlaamse dierenartsen
Auteur(s): 
E. VAN DE WOUWER, I. KOLKMAN, S. RIBBENS, A. DE KRUIF
Samenvatting: 
Ongeveer 50 jaar geleden werd de eerste keizersnede met succes uitgevoerd. Door de jaren heen is detechniek veranderd en verbeterd. Tegenwoordig gebeurt de keizersnede routinematig, mede door de evolutievan het Belgisch Witblauwe ras. Om na te gaan welke materialen en technieken er momenteel door depraktiserende dierenartsen worden gebruikt, werd er een enquête gehouden met vragen over de niet-gecompliceerdekeizersnede. De voorbereiding en de operatie zelf blijken te verschillen, maar veel van deze verschillen,bijvoorbeeld de keuze van desinfectantia of antibiotica, hebben echter weinig invloed op heteindresultaat. Andere zaken die in de keizersnedeprocedure al dan niet worden uitgevoerd, zoals een voorafgaandvaginaal onderzoek, kunnen het eindresultaat beïnvloeden. De daaraan verbonden risico’s wordeneveneens in dit artikel besproken. Tijdsgebrek, de ervaring van de dierenarts en de kostprijs zijn enkele redenenvoor het kiezen van bepaalde operatietechnieken of –materialen.
Volledige tekst: 
pp 270-275
Voor de praktijk

79 (1) 59-65

Titel: 
Tewerkstelling van dierenartsen afgestudeerd aan de Universiteit Gent tussen 1998 en 2008
Auteur(s): 
P. VAN NIELANDT, J. DEWULF, S. DE VLIEGHER, A. DE KRUIF
Samenvatting: 
Aan de hand van een enquête bij dierenartsen afgestudeerd tussen 1998 en 2008 aan de Universiteit Gentwerd gepeild naar hun arbeidsperspectieven. Uit de resultaten van de 447 ingevulde enquêtes blijkt dat 2 op3 afgestudeerden praktiserende dierenartsen zijn. Het merendeel werkt in een kleine huisdierenpraktijk enin een groepspraktijk. Er blijkt voor de verschillende optierichtingen in het laatste jaar geen significantverschil te bestaan wat de duur tussen het afstuderen en het vinden van een eerste baan betreft.Jonge dierenartsen werken gemiddeld 52 uur per week ongeacht het type job dat men uitoefent. Ongeveerde helft van de respondenten vindt dat zijn/haar loon lager is dan dat van familie of vrienden met eenuniversitair diploma. Veertig procent van de dierenartsen geeft aan tevreden tot erg tevreden te zijn met hetloon.Eén op 3 afgestudeerden werkt of heeft ooit gewerkt als schijnzelfstandige. Driekwart van de ondervraagdenvoelt zich gelukkig tot zeer gelukkig in zijn of haar huidige job. Zij vinden hun werk uitdagend tot zeeruitdagend.
Volledige tekst: 
pp 59-65
Voor de praktijk

79 (3) 218-226

Titel: 
Het functioneren van de dierenarts binnen de Belgische varkenshouderij: een enquête bij practici
Auteur(s): 
D. MAES, H. VANDER BEKEN, J. DEWULF, S. DE VLIEGHER, F. CASTRYCK, A. DE KRUIF
Samenvatting: 
Via een enquête bij varkenspractici werd getracht een beeld te krijgen van het functioneren van dedierenarts in de huidige Belgische varkenshouderij. De enquête bestond uit 76 vragen die betrekking haddenop de opleiding tot dierenarts, de praktijksituatie en de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding. Drieënveertigpraktijkdierenartsen hebben de enquête ingevuld. Ze hebben gemiddeld 17 jaar praktijkervaring. De meesten(45%) zijn er voorstander van om de huidige opleiding tot dierenarts met het systeem van optievakken tebehouden, een minderheid wil ofwel meer (19%) ofwel minder (36%) differentiatie tijdens de studie. Bijna alledierenartsen (19/20) die na 1997 zijn afgestudeerd, hebben ofwel het optievak varken, pluimvee en konijn,ofwel een keuzevak met betrekking tot het varken gevolgd. Achtenvijftig procent is werkzaam alsonafhankelijk praktijkdierenarts en 42% is als praktijkdierenarts tevens verbonden aan een veevoederbedrijf. Vierenveertig procent werkt in een eenmanspraktijk en 56% in een groepspraktijk. Bijna alle dierenartsenhebben een voltijdse functie en werken gemiddeld 54 uur per week. De respondenten zijn bedrijfsdierenartsop gemiddeld 43 varkensbedrijven. Een goede vakkennis alsook een vlotte sociale omgang worden als debelangrijkste factoren beschouwd voor een succesvolle diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding. Een belangrijkdeel van het inkomen (43%) blijkt te worden gehaald uit de geneesmiddelenverkoop. Vijfentachtig procent vande dierenartsen meldt dat varkenshouders niet bereid zijn te betalen voor deskundig advies. Het opvolgenvan de gezondheidsstatus van de dieren gebeurt het beste door middel van aanvullend onderzoek op het bedrijfen niet in het slachthuis. De praktijksituatie en de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding kunnen volgens eengroot deel van de respondenten op tal van punten (administratie, vergoeding, rol van kwaliteitslabels,medicatie en toezicht op voorschrijfgedrag) verbeterd worden. Zesentachtig procent van de respondentengeeft aan dat ze in hun huidige positie willen blijven. Dit wijst op een grote tevredenheid en toont aan dat dehuidige praktijkdierenartsen hun toekomst binnen de varkenssector hoopvol tegemoetzien.
Volledige tekst: 
pp 218-226
Voor de praktijk

79 (4) 302-306

Titel: 
Bioveiligheid op varkensbedrijven: ontwikkeling van een online scoresysteem en de resultaten van de eerste 99 deelnemende bedrijven
Auteur(s): 
M. LAANEN, J. BEEK, S. RIBBENS, F. VANGROENWEGHE, D. MAES, J. DEWULF
Samenvatting: 
Onder bioveiligheid verstaat men het geheel van maatregelen om het risico op de insleep en verspreidingvan pathogenen te minimaliseren en zodoende de dieren ‘gezond’ te houden. Om de bioveiligheid op eenvarkensbedrijf te kwantificeren is een scoresysteem ontwikkeld. Dit systeem kwantificeert de verschillendeaspecten van de externe en de interne bioveiligheid in functie van hun belang in de ziektetransmissie. Hierdooris het mogelijk bedrijven op te volgen in de tijd en het kan de varkenshouder motiveren om aan bioveiligheidte werken. Het scoresysteem is geïmplementeerd via een website die gratis online kan worden ingevuld. Vandecember 2008 tot augustus 2009 hebben 99 bedrijven de vragenlijst vrijwillig ingevuld. De gemiddelde scorevoor externe bioveiligheid is 65/100 en die voor interne bioveiligheid 50/100. Er zijn opvallend grote verschillentussen de scores van verscheidene bedrijven in de verschillende categorieën. Verder is op 92% van de bedrijvende score voor externe bioveiligheid hoger dan die voor interne bioveiligheid. Dit alles geeft aan dat er op veelbedrijven nog veel ruimte voor verbetering is en dat er bijzondere aandacht nodig is voor interne bioveiligheid.
Volledige tekst: 
pp 302-306
Voor de praktijk

Pagina's