Voor de praktijk

Nederlands

87 (3) pp 150

Titel: 
Perceptie, drijfveren en hindernissen van bioveiligheid in de rundveeproductie
Auteur(s): 
B. DAMIAANS, S. SARRAZIN, E. HEREMANS, J. DEWULF
Samenvatting: 
Bioveiligheid omvat de preventie van ziektetransmissie binnen en tussen bedrijven. Twee aparte studies werden uitgevoerd om te onderzoeken wat veehouders aanzet of tegenhoudt om bioveiligheidsmaatregelen te implementeren. De eerste studie had tot doel de perceptie van rundveehouders rond bioveiligheid in kaart te brengen en de oorzaken voor de lage implementering te identificeren. Het eerste deel van deze studie bestond uit een focusgroepgesprek waarvan de trends gebruikt werden om een vragenlijst te ontwikkelen voor een enquête gericht tot Vlaamse rundveehouders. Hoewel de 91 deelnemende rundveehouders weet hadden van verscheidene bioveiligheidsmaatregelen, associeerden zij deze eerder met ziektepreventie dan met bioveiligheid. De bedrijfsdierenarts lijkt de voornaamste bron van informatie voor de veehouder (98%). Slechts twintig procent en 32% van de veehouders zijn ervan overtuigd dat de implementatie van bioveiligheid hen respectievelijk meer geld en tijd zou kosten. Tenslotte ziet 80% van de veehouders ruimte voor verbetering binnen hun bedrijf en geven ze aan nood te hebben aan praktische informatie. De tweede studie was gericht op de identificatie van hoofdpunten van twintig op voorhand geselecteerde bioveiligheidsmaatregelen, drijfveren en hindernissen aangaande de implementatie ervan. Ze werden door tweeëntwintig professionals uit de rundveesector, zoals veehouders, dierenartsen en adviseurs, beoordeeld op haalbaarheid, efficiëntie en return-on-investment. De afkalfstal, een knaagdierbestrijdingsprogramma en de reiniging en desinfectie van de stallen scoorden het hoogst. De laagst scorende maatregelen waren het douchen vooraleer de stallen te betreden en een ‘diervrije’ periode van 24 uur. De return-on-investment hiervan was heel laag, omdat daarvoor hoge investeringen noodzakelijk zijn. Om te begrijpen waarom bioveiligheid voordelig is, moet de veehouder een beeld krijgen van alle risico’s en kosten van ziekte, en inzien hoe bioveiligheid risico’s en kosten kan verminderen.
Volledige tekst: 
pp 150-163
Voor de praktijk

86 (5) pp 303

Titel: 
Een analyse van de arbeidssituatie en perceptie van de kwaliteit van de opleiding van dierenartsen afgestudeerd aan de Faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Gent
Auteur(s): 
A. VAN CLEVEN, J. SAUNDERS, P. DEPREZ, J. DEWULF
Samenvatting: 
In een enquête werd gepeild naar de arbeidssituatie van dierenartsen afgestudeerd aande Universiteit Gent en de perceptie van de kwaliteit van de opleiding. Hiervoor werden driecohorten dierenartsen gecontacteerd die afgestudeerd zijn gedurende drie tijdsintervallen, metname tussen 2002 en 2004, 2009 en 2011 en tussen 2014 en 2016. Uit 488 ingevulde vragenlijsten(47% van de gecontacteerde respondenten) werd onder andere duidelijk dat dierenartsen inVlaanderen gemiddeld 47 uur per week werken en relatief tevreden zijn over de invulling vanhun job. Tachtig procent (meest recent afgestudeerde cohorte) en 68% (langst afgestudeerdecohorte) van de respondenten werkt als practicus en 81% van deze practici werkt in eengroepspraktijk. Dierenartsen met de Belgische nationaliteit hebben voornamelijk het statuutvan zelfstandige, terwijl dierenartsen met de Nederlandse nationaliteit voornamelijk inloondienst werken. De respondenten geven aan tevreden te zijn over het theoretische aandeelbinnen de opleiding diergeneeskunde maar ervaren het praktisch onderricht als te beperkt.Tijdens de opleiding zou er volgens de respondenten meer nadruk gelegd moeten worden opeerstelijnsdiergeneeskunde, op het verwerven van communicatievaardigheden met klanten encollega’s en op praktijkmanagement.
Volledige tekst: 
pp 303-310
Voor de praktijk

86 (3) pp173

Titel: 
De impact van advies omtrent het gebruik van antimicrobiële middelen op het voorschrijfgedrag in veertien Vlaamse praktijken voor kleine huisdieren
Auteur(s): 
S. SARRAZIN, F. VANDAEL, A. VAN CLEVEN, E. DE GRAEF, H. DE ROOSTER, J. DEWULF
Samenvatting: 
Aan de hand van een prospectieve studie werd het voorschrijfgedrag met betrekking tot antimicrobiëlemiddelen onderzocht in veertien eerstelijnspraktijken voor kleine huisdieren. Verschillen inhet aantal consultaties van katten en honden waarbij antimicrobiële middelen werden voorgeschreven,werden onderzocht gedurende één maand voor en minstens twintig dagen na het invoeren van deadviezen betreffende het gebruik van antimicrobiële middelen. Daarnaast werden ook veranderingenin de keuze van actieve substanties vergeleken met de adviezen. Het aantal consultaties waarbijantimicrobiële middelen werden voorgeschreven daalde zowel bij honden als katten (−12% bijbeide diersoorten) na het invoeren van de adviezen. Er was een stijging in het aantal consultatiesbij katten (+13%) en honden (+10%) in de praktijken waar de dierenartsen handelden volgens deadviezen. Er werd echter ook een stijging vastgesteld in het voorschrijven van derdekeuze- en kritischbelangrijke antimicrobiële middelen bij kat (+8% en +12%, respectievelijk) en hond (beide +5%).Deze onverwachte stijging wijst erop dat het verantwoord gebruik van antimicrobiële middelen verderonder de aandacht dient te worden gebracht.
Volledige tekst: 
pp 173-182
Voor de praktijk

85 (1) pg 36

Titel: 
Risico op colistineresistentie neemt toe
Auteur(s): 
B. CALLENS, F. HAESEBROUCK, J. DEWULF, F. BOYEN, P. BUTAYE, B. CATRY, P. WATTIAU, E. DE GRAEF
Samenvatting: 
In een recent artikel uit China werd overdraagbare resistentie tegen colistine beschrevendie gevonden werd bij Escherichia (E. coli) bekomen uit voedselproducerende dieren, vlees enziekenhuispatiënten (Liu et al., 2015). Heel recent werd deze resistentie onder meer ook gevondenin Denemarken, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en België. Colistine wordt beschouwd alseen van de laatste behandelopties tegen multiresistente bacteriën in de humane gezondheidszorg,voornamelijk bij patiënten met mucoviscidose. Alertheid voor colistineresistentie is gebodenen het nieuwe resistentiemechanisme dient zorgvuldig te worden opgespoord bij dier- enmensgerelateerde bacteriën.
Volledige tekst: 
pp 36-40
Voor de praktijk

83(6) pg 313-320

Titel: 
Wat na het project Sterycat? - De mening van deelnemende asielmedewerkers en dierenartsen over vroegcastratie bij katten
Auteur(s): 
N. PORTERS, C.P.H. MOONS, I. POLIS, J. DEWULF, H. DE ROOSTER
Samenvatting: 
Het project Sterycat is een door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheidvan de Voedselketen en Leefmilieu gefinancierd wetenschappelijk onderzoek dat, in een samenwerkingtussen de Faculteit Diergeneeskunde en zeventien Vlaamse asielen, het effect van vroegcastratieop de gezondheid en het gedrag van katten heeft onderzocht. Om vroegcastratie vanasielkittens efficiënt te kunnen integreren in het overheidsbeleid, is het belangrijk de opinie vanhet werkveld te kennen. Daarom werd op het einde van het project een enquête (16 vragen, 70exemplaren in totaal) rondgestuurd naar de asieldierenartsen en -medewerkers van de deelnemendeasielen.Zie pdf tekst voor vervolg samenvatting
Volledige tekst: 
pp 313-320
Voor de praktijk

82 (6) pp 356-362

Titel: 
Beoordeling van twee essentiële elementen van BVDV-controle op geselecteerde Vlaamse melk- en vleesveebedrijven
Auteur(s): 
J. Laureyns, R. Booth , S. Sarrazin, P. Deprez, D. Pfeiffer, J. Dewulf, S. De Vliegher
Samenvatting: 
Het boviene virale diarreevirus (BVDV) is wereldwijd een van de meest belangrijke ziekteverwekkende virussen bij rundvee. Het virus is ook endemisch aanwezig in België. Omdat infectie met BVDV moeilijk te herkennen is aan de hand van de klinische verschijnselen alleen, is monitoring met behulp van diagnostische testen noodzakelijk om de aanwezigheid van het virus op een rundveebedrijf aan te tonen. Vaccinatie op zich is ontoereikend om BVDV uit te roeien. Een succesvolle controle vereist een combinatie van verschillende maatregelen. Aan de hand van een vragenlijst werd het BVDV-beleid op 241 geselecteerde Vlaamse rundveebedrijven onderzocht en dit leverde enkele opvallende resultaten op. Bij de meerderheid van de bedrijven was de BVDV-status niet bekend (63%) en slechts 23% van de bedrijven gebruikte een monitoringprogramma. Verder bleek dat zeven op tien veehouders (71%) voor vaccinatie kozen om BVDV te bestrijden zonder kennis te hebben van hun huidige BVDV-status. 
Volledige tekst: 
pp 356-362
Voor de praktijk

69 (2) 125-129

Titel: 
Een uniforme ziekteregistratie op rundveebedrijven als hulpmiddel voor diergeneeskundig epidemiologisch onderzoek
Auteur(s): 
G. OPSOMER, H. LAEVENS, A. DE KRUIF
pp 125-129
Voor de praktijk

69 (3) 197-206

Titel: 
Epidemiologische bewaking van boviene spongiforme encefalopathie in België in 1998
Auteur(s): 
Saegerman C., Dechamps P., Vanopdenbosch E., Roels S., Petroff K., Dufey J., Van Caenegem G., Devreese D., Varewyck H., De Craemere H., Desmedt I., Cormann A., Torck G., Hallet L., Hamelrijckx M., Leemans M., Vandersanden A., Peharpre D., Brochier B., Costy F., Muller P., Thiry E., Pastoret PP
Samenvatting: 
In 1998 werden 6 runderen tussen de 54 en 71 maanden ouderdom, afkomstig van de provincies West-Vlaanderen (3 gevallen), Oost-Vlaanderen (2 gevallen) en Luik (1 geval), gediagnostiseerd als gevallen van boviene spongiforme encephalopathie (BSE). De hypotheses betreffende de oorsprong van de infectie op zijn de volgende : het optreden van sporadische gevallen zonder duidelijk definieerbare oorzaak; de mogelijke kruiscontaminatie tussen voeder voor monogastrische dieren met daarin dierlijk meel en voeder voor herkauwers waarin geen dierlijk meel is verwerkt en dit tijdens het fabricatieproces, de stockage, het transport of de distributie; het gebruik van dierlijk beendermeel in het voeder voor runderen geproduceerd voor de ban (van kracht vanaf 27/7/1994). Algemeen kan men dus stellen dat in België de aanwezigheid van gecontamineerd diermeel als risicofactor voor BSE niet kan worden uitgesloten. De oorsprong van deze diermelen kon nog niet gedetermineerd worden.
pp 197-206
Voor de praktijk

69 (5) 349-354

Titel: 
Opstarten en management van een vijver of een aquarium
Auteur(s): 
M. LAMMENS, A. DECOSTERE
pp 349-354
Voor de praktijk

69 (5) 345-348

Titel: 
Behandeling en preventie van coccidiose bij konijnen
Auteur(s): 
D. VANDEKERCKHOVE, J. PEETERS
pp 345-348
Voor de praktijk

Pagina's