Uit het verleden

Nederlands

83(4) 202-206

Titel: 
Volksdiergeneeskunde samengebracht en verklaard door dierenarts Jaak Wouters (1966) - Deel 2: Aandoeningen per diersoort
Auteur(s): 
J. BOUCKAERT, L. DEVRIESE
Samenvatting: 
  Dit is een korte samenvatting van de traditionele geneeswijzen van dierziekten aan de hand van het werk ‘Volksdiergeneeskunde’ van dierenarts Jaak Wouters in eigen beheer uitgegeven in 1966. In dit tweede deel worden eerst problemen in verband met bevruchting, dracht en geboorte beschreven, waarna de in de volksgeneeskunde gebruikelijke behandelingen van de belangrijkste ziekten per diersoort kort geschetst worden. Net als in de reguliere plattelandspraktijk van destijds komen paard en rund op de eerste plaats. In dalende orde van belang volgen varken, schaap, geit, hond, kat, pluimvee (hoen, eend, duif), konijn en als buitenbeentje de rat. Naast de beschrijving van de toegepaste middelen besteedt Wouters heel wat aandacht aan Vlaamse en Brabantse dialectnamen van ziekten, symptomen en geneesmiddelen. Bij moeilijk te begrijpen remedies verwijst hij naar de begrippen en principes van de primitieve geneeskunde, zoals sympathie, homeopathie (signaturenleer) en magie die in deel 1 van dit tweeluik beschreven staan. 
Volledige tekst: 
pp 202-206
Uit het verleden

83 (3) 143-146

Titel: 
Volksdiergeneeskunde samengebracht en verklaard door dierenarts Jaak Wouters (1966)
Auteur(s): 
J. Bouckaert
Samenvatting: 
Er wordt een overzicht gegeven van de volksdiergeneeskunde aan de hand van een boekjeover dit onderwerp door J. Wouters, in eigen beheer gepubliceerd in 1966 in Wetteren, waar deauteur werkzaam was als practicus. Het bevat een rijke schat aan gegevens over de manierenwaarop onze voorouders dierenziekten probeerden te behandelen of te voorkomen. Het gaatdaarbij om elementen uit het christelijk geloof, gemengd met volksgeloof, heidense rituelen enoverlevering. De talrijke natuurlijke behandelingen met planten gaan eveneens terug op heeloude kennis, onder andere te vinden in het bekende werk van de plantkundige Dodoens. De inhoudomvat tal van unieke gegevens door de auteur zelf verzameld in zijn praktijk en door zijnkennissenkring. Het werk is echter niet altijd logisch geordend en bevat dikwijls herhalingenbedoeld om de nadruk te leggen. De auteur volgt ook niet altijd de vooropgestelde indeling vande behandelde onderwerpen. Maar al bij al is het de moeite waard als een te bewaren en te raadplegentijdsdocument.Dit eerste deel bevat een korte ontleding van de inhoud en behandelt vooral de algemenegrondslagen van de volksdiergeneeskunde zoals die door Wouters naar voor gebracht worden.In een tweede deel worden de aandoeningen per diersoort nader bekeken.
Volledige tekst: 
pp 143-146
Uit het verleden

2014 (1) 42-48

Titel: 
De handbibliotheek van de eerste studenten diergeneeskunde (Frankrijk, 18de eeuw) Deel 1: van Vegetius tot de Garsault
Auteur(s): 
P.E.J. Bols, H.F.M. De porte
Samenvatting: 
De diergeneeskunde vindt zijn oorsprong in de klassieke oudheid. De kennis die destijds bijde oude Grieken en Romeinen was vergaard, bleef ter beschikking dankzij meerdere vertalingenen compilaties. Het toenemende belang van het paard leidde in de 16de en 17de eeuw tot een sterkestijging van de interesse en tot de publicatie van enkele meer wijdverbreide standaardwerkenover het paard en de paardrijkunst. De meeste rijscholen en academiën die aan de oorspronglagen van de eerste veeartsenijschool (Lyon, 1761), konden een aantal van deze publicaties terbeschikking stellen van hun leerlingen en/of waren voor hun docenten een belangrijke bron vaninformatie. Deze veelal luxueuze uitvoeringen bevatten behoorlijke beschrijvingen van visueelwaarneembare structuren en hun afwijkingen. De onderliggende functionele of fysiologischekennis ontbrak echter nagenoeg volledig. Het bestaan van meer klassieke handboeken zoals weze nu kennen, was mede door het ontbreken van een formele vorm van veeartsenijkundig onderwijsvóór 1750, onbestaande.Na een korte inleiding over de kennis van de veeartsenijkunde bij de Grieken en Romeinen,wordt in dit eerste deel kort de (vooral Franse) diergeneeskundige literatuur belicht tot aan depublicatie van één van de meest bekende werken uit die tijd, ‘Le Nouveau Parfait Maréchal’ vanFrançois Alexandre de Garsault (Frankrijk, eerste uitgave 1741).
Volledige tekst: 
pp 42-48
Uit het verleden

82 (5) pp 283-297

Titel: 
Vlees eten, mag dat wel? Voorgeschiedenis van het hedendaagse vegetarisme
Auteur(s): 
L.A. Devriese
Samenvatting: 
In dit overzicht wordt vooral gezocht naar de verklaring van het feit dat religieuze spijswetten en taboes bijna uitsluitend voedseltypes van dierlijke herkomst viseren. Primordiaal in het ontstaan daarvan was de vrees voor ‘contagium’ (besmetting), die ontstond bij primitieve gemeenschappen doordrongen van geloof in magische krachten. Als je in contact komt met iets, dan kunnen de eigenschappen daarvan in je ‘overvloeien’. Alle dieren produceren als afstotelijk of angstaanjagend ervaren stoffen: feces, urine, speeksel, sperma of andere geslachtsuitvloei. Hun lichamen bevatten bovendien geheimzinnige vochten, zoals bloed en lymfe. Vlees is er in mindere of meerdere mate onzichtbaar mee ‘gecontamineerd’. Dit helpt mede de afschuw in veel culturen te verklaren van het vlees van carnivoren en omnivoren, zoals de kat, hond en het varken. In dit artikel worden enkele ethische aspecten van beperkingen op het eten van vlees in Europees historisch perspectief belicht. Gewezen wordt op de sterke bindende kracht van religieuze spijswetten. Achtereenvolgens komen aan bod: de ontwikkeling van de veeteelt, vlees als luxeproduct, vlees derven, versterven en vasten in de christelijke traditie, toegelaten en niettoegelaten voedsel met de achtergronden daarvan, motieven van vroegere en van hedendaagse vegetariërs. Verdere hoofdstukjes handelen meer specifiek over de afkeer van het eten van talrijke diersoorten, taboes op paarden-, varkens- en hondenvlees en het rituele slachten. Als besluit wordt gesteld dat de eeuwenoude taboesfeer rondom vlees indirect een gunstige voedingsbodem vormt voor de hedendaagse vegetarische stroming. De directe motiveringen van hedendaagse vegetariërs, in hoofdzaak de bekommernis om dierenwelzijn en milieu, verschillen echter fundamenteel van de oudere magische en religieuze grondslagen van het (bepaalde types) vlees mijden.
Volledige tekst: 
pp 283-297
Uit het verleden

69 (1) 3-12

Titel: 
De ontwikkeling van de veterinaire volksgezondheid in West-Europa, 1850 - 1940
Auteur(s): 
P. KOOLMEES
pp 3-12
Uit het verleden

70 (1) 14-16

Titel: 
Dierenwelzijn in het 19de eeuwse Gent
Auteur(s): 
L. DEVRIESE
pp 14-16
Uit het verleden

70 (3) 158-161

Titel: 
Leopold Frateur (1877-1946) en het mendelisme bij het fokken van huisdieren
Auteur(s): 
A. GOBIN
pp 158-161
Uit het verleden

71 (2) 85-99

Titel: 
Dieren als geneesmiddel, gisteren en vandaag
Auteur(s): 
G. THEVES
pp 85-99
Uit het verleden

72 (1) 2-11

Titel: 
Médecine vétérinaire au Congo et Ruanda-Urundi de 1885 à 1962- partie 1: territoires, peuples et animaux
Auteur(s): 
J. MORTELMANS
pp 2-11
Uit het verleden

72 (2) 83-95

Titel: 
Médecine vétérinaire au Congo Belge et Ruanda Urundi DE 1885 à 1962 - partie 2:personnel, médecine et recherches vétérinaires
Auteur(s): 
J. MORTELMANS
pp 83-95
Uit het verleden

Pagina's