Uit het verleden

Nederlands

85 (4) pg 237

Titel: 
‘Le jumart’: mythe of mysterie in de dierlijke reproductie?
Auteur(s): 
P.E.J. BOLS, H.F.M. DE PORTE
Samenvatting: 
Ooit was er een tijd waarin de wetenschap zich nog moest ‘ontpoppen’. Een tijdperk waarin demens bestaande kennis extrapoleerde tot een niveau dat vaak de werkelijkheid oversteeg. Geloof hetof niet, maar deze periode ligt niet zo ver achter ons. Voordat dieren in lactatie kunnen komen, moetenze zich voortplanten. En de voortplanting van dieren heeft de fantasie van de mens altijd al geprikkeld.Uit deze fantasie ontstond een zeer interessante mythe – of is het een mysterie?: het bestaan van eenkruising tussen een paard en een rund, ‘le jumart’.Naast de alom bekende kruising tussen een paard en een ezel beschreef de Franse ‘capitaine desharas’, François Alexandre de Garsault (1692-1778), in zijn wijdverspreide en bekende ‘Nouveau ParfaitMaréchal’, dat voor het eerst werd gepubliceerd in 1741, de kruising tussen een paard en een rund.Uit verder onderzoek blijkt dat hij niet de enige was die geloofde in het bestaan van een dergelijke hybride soort. Andere gerespecteerde ‘moderne’ wetenschappers hebben zelfs volledige hoofdstukken in hun handboeken aan deze diersoort gewijd, zoals de Franse naturalist en arts, Jean-Pierre Buchoz (1731-1807), in zijn ‘Traité Economique et Physique de Gros Menu Bétail’ (1778). Ook de opiniemakers Charles Bonnet (1720-93) en Lazzarro Spallanzani (1729-99) waren ervan overtuigd dat deze dieren de weiden begraasden in het Frankrijk van de 18e eeuw. Zelfs de oprichter van de eerste ‘Ecole Vétérinaire’ ter wereld, Claude Bourgelat (1712-1779), getuigde in een brief aan Bonnet dat hij een nakomeling van een hengst en een koe met zijn eigen ogen had mogen aanschouwen. Gelukkig kon het debat ook rekenen op belangrijke tegenstanders, met Albrecht von Haller als een van de belangrijkste voortrekkers. Von Haller publiceerde in de ‘Supplément à l’Encyclopédie ou Dictionnaire Raisonné des Sciences, des Arts et Métiers’ (1777) een bijdrage waarin hij het bestaan van de jumart als een fabel afdeed.Pas een eeuw later publiceerde André Suchetet (1849-1910) een ‘Extrait des Mémoires de la Société Zoologique de France’ met als titel ‘La Fable des Jumarts’ (1889). Deze 19de-eeuwse politicus, die als lid van meerdere wetenschappelijke verenigingen een grote interesse toonde in hybridisatie, aanvaardde de uitdaging om de wetenschappelijke wereld naar een algemene conclusie over dit enigma te leiden.In deze paper worden in chronologische volgorde de opkomst en val beschreven van een van de meest fascinerende ‘fabula’ in de voortplantingsgeneeskunde en een antwoord geformuleerd waarom de opkomende moderne wetenschap er tweehonderd jaar heeft over gedaan om te bepalen of dit een mythe dan wel een mysterie was.
Volledige tekst: 
pp 237-248
Uit het verleden

85 (2) pg 106

Titel: 
Museumcollectie diergeneeskundig verleden Merelbeke: een overzicht 1994 - 2014
Auteur(s): 
L. DEVRIESE
Samenvatting: 
Sinds ongeveer twintig jaar groeit in de faculteit een verzameling die een stukje herinneringwil levendig houden aan wat zieke dieren vroeger te wachten stond. Meer in het bijzonder wordtgepoogd de rol daarin van de dierenarts-practicus te illustreren. Dit gebeurt aan de hand vaninstrumenten, foto’s, handboeken, allerhande documentatie op papier (‘Vliegende Bladen’) eneen digitaal archief. De collectie vormt de basis van teksten in de rubriek ‘Uit het verleden’ indit tijdschrift, van medewerking aan tentoonstellingen en van kleine thematische presentaties‘Veterinair Verleden in de Vitrine’, tijdelijk opgesteld in voor bezoekers en studenten vrij toegankelijkeruimten op de campus in Merelbeke. Een kort overzicht wordt gegeven van deze ‘MuseumcollectieDiergeneeskundig Verleden Merelbeke’ (MDVM), die samengesteld en bewaardwordt in het decanaat van de Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent.
Volledige tekst: 
pp 106-109
Uit het verleden

84(6) pg 333

Titel: 
De Maréchal-Vétérinaire in de Grande Armée van Napoleon (1805-1815)
Auteur(s): 
P.E.J. BOLS, E. DUMAS, J. OP DE BEECK, H.F.M. DE PORTE
Samenvatting: 
Op 18 juli 2015 was het precies tweehonderd jaar geleden dat Napoleon met zijn GrandeArmée werd verslagen door de geallieerde strijdkrachten in wat de geschiedenis zou ingaanals de Slag bij Waterloo. Tijdens de tien jaar die aan deze nederlaag voorafgingen, bouwde deFranse keizer een gigantische troepenmacht uit waarin de bereden component of cavalerie eenzeer belangrijke rol speelde. Omdat de paarden die hierin figureerden eerder al het onderwerpwaren van een publicatie in dit tijdschrift, richt dit artikel specifiek de aandacht op de militaireveeartsen die als paardenarts instonden voor de verzorging van de honderdduizenden legerpaardendie tijdens het verloop van het keizerrijk onder de wapens werden gebracht. Na eenkorte inleiding over het ontstaan van het veeartsenijkundig onderricht, wat hand in hand gingmet de geboorte van de militaire veearts, wordt dieper ingegaan op zijn rekrutering, statuut enwerkomgeving. Hierbij wordt de rol van de keizer zelf beschreven met een bespreking van hetdecreet van Moskou dat voor het veeartsenijkundig onderwijs van zeer groot belang is geweest.Tenslotte worden de werkomstandigheden van de militaire veeartsen belicht aan de hand vanenkele ooggetuigenverslagen.
Volledige tekst: 
pp 333-342
Uit het verleden

84(5) pg 278

Titel: 
La relation entre l’homme et le chat dans les anciens Pays-Bas au moyen âge et à l’époque moderne - II. Le chat domestique et le chat tourmenté
Auteur(s): 
E. AERTS
Samenvatting: 
Ce n’est que vers le milieu du XVIIe siècle que le chat s’est vu accorder une place modestedans la sphère familiale. Malgré cette revalorisation, pour une grande majorité de la population,la vie quotidienne restait avant tout une lutte pour la survie, les chats étant l’objet de divertissementspopulaires cruels et d’une violence structurelle. La vraie révolution dans notre relationavec le chat n’est intervenue que récemment. L’anthropomorphisation séculaire en vertu delaquelle toutes sortes de caractéristiques humaines sont naïvement attribuées au chat, subsisteplus que jamais.
Volledige tekst: 
pp 278-280
Uit het verleden

84(4) pg 212-222

Titel: 
La relation entre l’homme et le chat dans les anciens Pays-Bas au moyen âge et à l’époque moderne – I. Le chat utile, diabolique et imaginaire
Auteur(s): 
E. AERTS
Samenvatting: 
RESUMELes rapports entre l’homme et le chat dans les anciens Pays-Bas au cours des siècles passéspeuvent être qualifiés de kaléidoscopiques, mais aussi contradictoires, problématiques et ambigus.Les hommes, surtout des intellectuels dans l’Église, ont bien vite apprécié les côtés utiles de leurrelation avec le chat, mais ont aussi, dès le XIIe siècle, commencé à diaboliser l’animal. Dans lesanciens Pays-Bas également, l’image du chat démonologique était largement répandue, maison n’y trouve aucune trace de procès de chats ou d’exécutions de chats à proprement parler.Au même moment s’est développée, tant dans la littérature que dans les arts plastiques, unereprésentation emblématique associant le chat à d’autres caractéristiques négatives comme laparesse, la vanité, l’arrogance et surtout la luxure.
Volledige tekst: 
pp 212-222
Uit het verleden

84 (2) pg 101-109

Titel: 
Aderlatingen en etterdrachten verdrijven het ‘kwaad’ uit het lichaam
Auteur(s): 
L. DEVRIESE, H.F.M. DE PORTE, P.E.J. BOLS
Samenvatting: 
Eeuwenlang was bloed aflaten via een snede in de aders (flebotomie, aderlating) ontzettendpopulair in de geneeskunde van mens en dier. Naast het meest gebruikelijke ‘slaan van bloed’in de halsader van paard en rund werd ook bloed afgelaten op diverse andere plaatsen, gaandevan het gehemelte tot de staart. Behalve veneus bloed werd soms ook arterieel bloed afgetapt.In de humane geneeskunde was ook het kunstmatig verwekken van lokale capillaire bloedingenpopulair. Dit gebeurde met behulp van Hirudo (echels, bloedzuigers) en met zogenaamde ‘laatkoppen’(vacuüm trekkende bokaaltjes op de huid). Het hoofddoel van al deze praktijken waszowel voor het volk als voor de artsen duidelijk: ziekteverwekkende stoffen (het ‘kwaad’) uithet lichaam laten ontsnappen. In de Hippocratisch-Galenische geneeskunde werd dit ingebed intheorieën over evenwicht (syncrasie) en onevenwicht (dyscrasie) van de verschillende lichaamsvochten(“humores”), waar mogelijk ook de verklaring lag voor de soms moeilijk toepasbare,lokale bloedafnamen dichtbij aangetaste lichaamsdelen.Een tweede, vooral in de diergeneeskunde ooit zeer belangrijke techniek bestond er in metbehulp van de zogenaamde etterdrachten of andere irriterende middelen kunstmatig lokale ontstekingenop te wekken. Hoewel de gelijkenis met aderlaten niet evident is, berust het geloof inde heilzame werking van deze ingreep op het zelfde hoofdprincipe: de ziekteverwekkende stof,het ‘kwaad’, moet uit het lichaam verdreven worden.
Volledige tekst: 
pp 101-109
Uit het verleden

83(4) 202-206

Titel: 
Volksdiergeneeskunde samengebracht en verklaard door dierenarts Jaak Wouters (1966) - Deel 2: Aandoeningen per diersoort
Auteur(s): 
J. BOUCKAERT, L. DEVRIESE
Samenvatting: 
  Dit is een korte samenvatting van de traditionele geneeswijzen van dierziekten aan de hand van het werk ‘Volksdiergeneeskunde’ van dierenarts Jaak Wouters in eigen beheer uitgegeven in 1966. In dit tweede deel worden eerst problemen in verband met bevruchting, dracht en geboorte beschreven, waarna de in de volksgeneeskunde gebruikelijke behandelingen van de belangrijkste ziekten per diersoort kort geschetst worden. Net als in de reguliere plattelandspraktijk van destijds komen paard en rund op de eerste plaats. In dalende orde van belang volgen varken, schaap, geit, hond, kat, pluimvee (hoen, eend, duif), konijn en als buitenbeentje de rat. Naast de beschrijving van de toegepaste middelen besteedt Wouters heel wat aandacht aan Vlaamse en Brabantse dialectnamen van ziekten, symptomen en geneesmiddelen. Bij moeilijk te begrijpen remedies verwijst hij naar de begrippen en principes van de primitieve geneeskunde, zoals sympathie, homeopathie (signaturenleer) en magie die in deel 1 van dit tweeluik beschreven staan. 
Volledige tekst: 
pp 202-206
Uit het verleden

83 (3) 143-146

Titel: 
Volksdiergeneeskunde samengebracht en verklaard door dierenarts Jaak Wouters (1966)
Auteur(s): 
J. Bouckaert
Samenvatting: 
Er wordt een overzicht gegeven van de volksdiergeneeskunde aan de hand van een boekjeover dit onderwerp door J. Wouters, in eigen beheer gepubliceerd in 1966 in Wetteren, waar deauteur werkzaam was als practicus. Het bevat een rijke schat aan gegevens over de manierenwaarop onze voorouders dierenziekten probeerden te behandelen of te voorkomen. Het gaatdaarbij om elementen uit het christelijk geloof, gemengd met volksgeloof, heidense rituelen enoverlevering. De talrijke natuurlijke behandelingen met planten gaan eveneens terug op heeloude kennis, onder andere te vinden in het bekende werk van de plantkundige Dodoens. De inhoudomvat tal van unieke gegevens door de auteur zelf verzameld in zijn praktijk en door zijnkennissenkring. Het werk is echter niet altijd logisch geordend en bevat dikwijls herhalingenbedoeld om de nadruk te leggen. De auteur volgt ook niet altijd de vooropgestelde indeling vande behandelde onderwerpen. Maar al bij al is het de moeite waard als een te bewaren en te raadplegentijdsdocument.Dit eerste deel bevat een korte ontleding van de inhoud en behandelt vooral de algemenegrondslagen van de volksdiergeneeskunde zoals die door Wouters naar voor gebracht worden.In een tweede deel worden de aandoeningen per diersoort nader bekeken.
Volledige tekst: 
pp 143-146
Uit het verleden

2014 (1) 42-48

Titel: 
De handbibliotheek van de eerste studenten diergeneeskunde (Frankrijk, 18de eeuw) Deel 1: van Vegetius tot de Garsault
Auteur(s): 
P.E.J. Bols, H.F.M. De porte
Samenvatting: 
De diergeneeskunde vindt zijn oorsprong in de klassieke oudheid. De kennis die destijds bijde oude Grieken en Romeinen was vergaard, bleef ter beschikking dankzij meerdere vertalingenen compilaties. Het toenemende belang van het paard leidde in de 16de en 17de eeuw tot een sterkestijging van de interesse en tot de publicatie van enkele meer wijdverbreide standaardwerkenover het paard en de paardrijkunst. De meeste rijscholen en academiën die aan de oorspronglagen van de eerste veeartsenijschool (Lyon, 1761), konden een aantal van deze publicaties terbeschikking stellen van hun leerlingen en/of waren voor hun docenten een belangrijke bron vaninformatie. Deze veelal luxueuze uitvoeringen bevatten behoorlijke beschrijvingen van visueelwaarneembare structuren en hun afwijkingen. De onderliggende functionele of fysiologischekennis ontbrak echter nagenoeg volledig. Het bestaan van meer klassieke handboeken zoals weze nu kennen, was mede door het ontbreken van een formele vorm van veeartsenijkundig onderwijsvóór 1750, onbestaande.Na een korte inleiding over de kennis van de veeartsenijkunde bij de Grieken en Romeinen,wordt in dit eerste deel kort de (vooral Franse) diergeneeskundige literatuur belicht tot aan depublicatie van één van de meest bekende werken uit die tijd, ‘Le Nouveau Parfait Maréchal’ vanFrançois Alexandre de Garsault (Frankrijk, eerste uitgave 1741).
Volledige tekst: 
pp 42-48
Uit het verleden

82 (5) pp 283-297

Titel: 
Vlees eten, mag dat wel? Voorgeschiedenis van het hedendaagse vegetarisme
Auteur(s): 
L.A. Devriese
Samenvatting: 
In dit overzicht wordt vooral gezocht naar de verklaring van het feit dat religieuze spijswetten en taboes bijna uitsluitend voedseltypes van dierlijke herkomst viseren. Primordiaal in het ontstaan daarvan was de vrees voor ‘contagium’ (besmetting), die ontstond bij primitieve gemeenschappen doordrongen van geloof in magische krachten. Als je in contact komt met iets, dan kunnen de eigenschappen daarvan in je ‘overvloeien’. Alle dieren produceren als afstotelijk of angstaanjagend ervaren stoffen: feces, urine, speeksel, sperma of andere geslachtsuitvloei. Hun lichamen bevatten bovendien geheimzinnige vochten, zoals bloed en lymfe. Vlees is er in mindere of meerdere mate onzichtbaar mee ‘gecontamineerd’. Dit helpt mede de afschuw in veel culturen te verklaren van het vlees van carnivoren en omnivoren, zoals de kat, hond en het varken. In dit artikel worden enkele ethische aspecten van beperkingen op het eten van vlees in Europees historisch perspectief belicht. Gewezen wordt op de sterke bindende kracht van religieuze spijswetten. Achtereenvolgens komen aan bod: de ontwikkeling van de veeteelt, vlees als luxeproduct, vlees derven, versterven en vasten in de christelijke traditie, toegelaten en niettoegelaten voedsel met de achtergronden daarvan, motieven van vroegere en van hedendaagse vegetariërs. Verdere hoofdstukjes handelen meer specifiek over de afkeer van het eten van talrijke diersoorten, taboes op paarden-, varkens- en hondenvlees en het rituele slachten. Als besluit wordt gesteld dat de eeuwenoude taboesfeer rondom vlees indirect een gunstige voedingsbodem vormt voor de hedendaagse vegetarische stroming. De directe motiveringen van hedendaagse vegetariërs, in hoofdzaak de bekommernis om dierenwelzijn en milieu, verschillen echter fundamenteel van de oudere magische en religieuze grondslagen van het (bepaalde types) vlees mijden.
Volledige tekst: 
pp 283-297
Uit het verleden

Pagina's