Uit het verleden

Nederlands

88 (6) pp 342

Titel: 
Dieren als drijfkracht
Auteur(s): 
J. DE SMET, L. DEVRIESE
Samenvatting: 
Een kort overzicht wordt gegeven van een vrijwel vergeten gebruik van dieren door de mens: het aandrijven van machines. Paarden, en in zuidelijkere landen vooral ezels en muildieren, werden ingezet om zware tuigen, zoals waterhoosmolens, dorsmachines en graanmaalmolens, aan te drijven. Men noemde ze meestal rosmolens. In de eerste decennia van de industriële revolutie werden ‘rossen’ ook ingezet om spinmolens te laten draaien in de nieuwe textielfabrieken. Na hun verdwijnen hielden we in diverse talen de benaming van de eenheid van kracht (drijfkracht) over: paardenkracht (pk), in het Engels horse power (hp).Ongetwijfeld veel talrijker waren de kleinere tuigen die door honden werden aangedreven. Ze liepen in verticaal opgestelde tredmolens. ‘Boterhonden’ namen in de grotere boerderijen het zware werk van het melk karnen over van boerinnen en hun meiden. ‘Smidsehonden’ dreven blaasbalgen aan. Nog andere honden werden ingezet om meer gespecialiseerde werktuigen in gang te zetten en draaiende te houden.
Volledige tekst: 
pp 342-345
Uit het verleden

88 (5) pp 295

Titel: 
Het aanspannen van trekdieren: een beknopt overzicht
Auteur(s): 
J. DE SMET
Samenvatting: 
Het paard werd in onze contreien eeuwenlang als trekdier gebruikt. Ossen-, koeien- en niette vergeten menselijke trekkracht vormden voor kleine bedrijven tot halverwege vorige eeuw deoplossing. In de 19de eeuw werden bij ons en in enkele andere streken trekhonden ingespannen.Ezels en muildieren, hier niet inheems, werden in meer zuidelijke gebieden ingezet.De primitieve opstelling met één trekdier evolueerde tot gespannen van meerdere dieren metcomplex tuigage. In de loop der eeuwen werd de kunst van het aanspannen steeds meer geperfectioneerdtot ogenschijnlijk een stadium van volmaaktheid bereikt werd halverwege de twintigsteeeuw. Na de Tweede Wereldoorlog verdween die hele professionele knowhow. Nu zit het aangespannenrijden nog enkel in de vrijetijdssfeer en bij koninklijke staatsie. In deze bijdrage wordteen kort overzicht gegeven van de verschillende manieren van aanspannen van trekdieren.
Volledige tekst: 
pp 295-302
Uit het verleden

88 (2) pp 121

Titel: 
Uit de beginjaren van de vilbeluiken - Parijs eind 19de eeuw
Auteur(s): 
J. DESMET
Samenvatting: 
Aan de hand van een Franse monografie wordt een idee gegeven van de abominabele toestandendie in de 19de eeuw heersten in de grootstad Parijs betreffende het wegruimen en verwerkenvan dierenkrengen, in die tijd vooral paarden. Er mag geconcludeerd worden dat de Parijsevilbeluiken anno 1897 absoluut niet voldeden, noch voor wat betreft de volksgezondheid, nochvoor het verhinderen van besmettingsgevaar voor andere huisdieren. Dit wordt in een naschriftaangevuld met enkele van de schaarse gegevens over Belgische toestanden en wetgeving daterenduit het begin van de vorige eeuw.Naar ‘Des Clos d’Equarrissage’ (1897) door Theophile Alphonse Morel, vétérinaire sanitaire duDépartement de la Seine (Collectie Diergeneeskundig Verleden, Faculteit Diergeneeskunde, Merelbeke.Vertaling en bewerking door Johan De Smet).
Volledige tekst: 
pp 121-125
Uit het verleden

87 (6) pp 359

Titel: 
Sint-antoniusvuur bij mensen en varkens - Hoe de waardering voor varkens in West-Europa verchristelijkt werd
Auteur(s): 
L. DEVRIESE, J. DE SMET
Samenvatting: 
In de vroegchristelijke geloofspraktijk mocht varkensvlees niet gegeten worden, vermoedelijkomdat varkens als alleseters competeerden met de mens. Iets wat in woestijn- of halfwoestijngebiedeneen zaak van leven of dood kon zijn. Nadat het christendom zich in Europa had verspreid,kon dit taboe niet overeind blijven: in dat continent zochten de dieren hun voedsel in detoen nog uitgestrekte bossen en hun vlees hielp de mensen te overleven tijdens de lange winters.Huisvarkens werden ‘verchristelijkt’ doordat Antonius van Egypte, een kluizenaar uit de derdevierdeeeuw, aanroepen werd om te beschermen tegen twee, oppervlakkig gezien, gelijkaardigeaandoeningen met sterk uitgesproken ontstekingsverschijnselen: moederkorenvergiftiging bij demens en vlekziekte bij het varken, beide sint-antoniusvuur genoemd. Zijn status als ‘geneesheilige’en beschermer tegen deze ziekten had de kluizenaar te danken aan het feit dat hij aan de‘vurigste’ bekoringen van de duivel weerstaan had. De hospitaalorde van de antonieten, ontstaanin de late middeleeuwen tijdens epidemieën van moederkorenvergiftiging, populariseerde de associatievan Antonius met varkens. Het feit dat het varken het typische attribuut werd van dezepopulaire geneesheilige staat symbool voor de aanvaarding van het huisvarken als voedselbronin de toenmalige sterk religieus gedetermineerde Europese maatschappij.
Volledige tekst: 
pp 359-367
Uit het verleden

87 (5) pg 297

Titel: 
Variatie, een belangrijke les. Waarom we de oorsprong en betekenis van de Engelse woorden to vet, to fit en de uitdrukking survival of the fittest moeten onthouden
Auteur(s): 
L. DEVRIESE
Samenvatting: 
De uitdrukking survival of the fittest door Herbert Spencer gebruikt voor het resultaat van watCharles Darwin natural selection noemde, kernbegrip in de evolutieleer, kan actueel potentieel ernstigemisverstanden teweegbrengen. In de tijd van Darwin en Spencer betekende the fittest, diegenedie het best bij een bepaalde (levens)omstandigheid past of die het beste erfelijke potentieel bezat omdaarin te passen of zich aan te passen. Voor levende soorten is variatie een essentiële voorwaarde omin veranderende competitieve omstandigheden te blijven voortbestaan. De basis van Darwins evolutietheorieis dan ook erfelijke variatie binnen de soorten. Die laat toe dat min of meer passende variantenvoorkomen die kunnen overleven en reproduceren. Minder aangepaste vinden minder voedsel, wordenverdrongen en verdwijnen tenslotte: ze sterven uit. Ze worden op natuurlijke wijze weggeselecteerd.Dit is natuurlijke selectie.In de loop van de vorige eeuw nam een heel andere woordbetekenis van fit de overhand: die van ‘gezond,in goede lichamelijke conditie verkerend’. Om dat te begrijpen wordt eerst een korte historischebeschrijving gegeven van twee Engelse termen to vet and to fit, die lange tijd vooral gebruikt werden inpaardenwedrenmilieus. To vet betekent zorgvuldig onderzoeken op eigenschappen en geschiktheid alvorenstoegelaten te worden in races, of, voor wat mensen betreft, in bepaalde functies. De term wordtin de literatuur vermoedelijk ten onrechte gelinkt aan veterinarian (vet). Fit, oorspronkelijk gebruiktvoor ridders en militairen in de betekenis van aan elkaar gewaagd zijn, werd vooral toegepast bij nagenoegeven snelle renpaarden om toegelaten te worden tot welbepaalde wedrennen. Later werd to fitmeer in het algemeen gebruikt om ‘bij elkaar (doen) passen’ aan te duiden en in de vorige eeuw werdde notie ‘in conditie’ of ‘en forme’ (in vorm) eraan gehecht, wellicht ook onder invloed van het woordgebruikin het renpaardenmilieu. Uiteindelijk kreeg de betekenis ‘gezond en/of sterk’ de overhand.
Volledige tekst: 
pp 297-299
Uit het verleden

87 (4) pp 237

Titel: 
Diergeneeskundige kennis in de lekenpraktijk: handschrift Bouckaert anno 1880
Auteur(s): 
L. DEVRIESE, J. BOUCKAERT
Samenvatting: 
Een handschrift in 1880 opgesteld door een lid van de vooral in paarden- en dierenartsenmiddensgekende Waregemse familie Bouckaert, geeft een goed idee van de ziekteleer en geneeskundevan dieren in de praktijk van die tijd. Die was nog voor een groot gedeelte in handenvan ongediplomeerde genezers, meestal in hoofdberoep hoefsmid, soms boer, of zoals FrancisBouckaert, opsteller van het hier behandelde handschrift, slachter. Deze Bouckaert blijkt goedop de hoogte geweest te zijn van de toenmalige veeartsenijkundige literatuur, wat niet belette dathij daarnaast bezweringsformules en middeltjes opnam, gebruikt in de volksgeneeskunde. Opmerkelijkin het handschrift is ook de aandacht besteed aan duivenziekten. In een duidelijk afgescheidengedeelte wordt een korte beschrijving gegeven van koopvernietigende gebreken en deomgang met sommige erg infectieuze veeziekten, voorbehouden aan gediplomeerde veeartsen, de‘experts vétérinaires’ van die tijd. Als voorbeeld van accurate beschrijving van een ziektebeeldin het handschrift, met de nodige reserves bij de opgave van gebruikelijke behandelingen, wordteen citaat over de ziekte van Carré weergegeven.
Volledige tekst: 
pp 237-239
Uit het verleden

87 (2) pp 105

Titel: 
De Romeinse hondengrafvondsten van Tongeren
Auteur(s): 
L. A.A. JANSSENS
Samenvatting: 
In Tongeren centrum werd bij een opgraving een graf van een grote hond gevonden uit deRomeinse periode. Ter hoogte van de mond lag een vaatwerkje als grafgift: een rond terrasigillata-schaaltje. Dit was of moest doorgaan voor het etensbakje van het dier. Door het afbrekenvan de randen wordt symbolisch aangegeven dat het bakje na de dood niet meer kon wordengebruikt. De symboliek van de etensbak met afgebroken randen kan ook geplaatst worden in eenKeltische traditie waarbij mythische honden dagelijks stukjes van de volle maan afbeten en zode maancyclus creëerden.Deze vondst is uitzonderlijk, maar past in de zeer lange traditie van hondenbegrafenissen, metals vroegste vondst deze van Bonn-Oberkassel daterend van 14 200 jaar geleden en voortdurendtot in het heden. Ook nu nog geven mensen vaak voorwerpen mee bij een graf of urne van hungezelschapsdier.
Volledige tekst: 
pp 105-109
Uit het verleden

87 (1) pp 47

Titel: 
Staarten couperen: modeverschijnsel in de late 19de eeuw geïntroduceerd bij het Belgisch trekpaard
Auteur(s): 
L. DEVRIESE
Samenvatting: 
In tegenstelling tot wat veelal gedacht wordt, is de gewoonte om staarten te couperen bijhet Belgisch trekpaard nog niet zo oud. De ingreep werd geïntroduceerd in de laatste decenniavan de 19de eeuw. Talrijke afbeeldingen, schilderijen van beroemde dierenschilders, zoals AlfredVerwee (1838 – 1895) en anderen, tonen prijsdieren en werkpaarden voor dagelijks gebruikvoorzien van intacte staarten met volle beharing. Op de foto’s en schilderijen is ook te zien datde stompen in de eerste decennia na het in zwang komen van het couperen nog vrij lang gelatenwerden. In het begin werd er ‘angliseren’ toegepast, i.e. amputeren gepaard met doorsnijdenvan de staartbuigspiertjes om de stomp en de ingekorte waaier doorlopend te laten oprichtenen ‘krachtig’ te doen uitkomen, zoals dat ook bij dure rij- en koetspaarden het geval was. Laterwerd de amputatie alsmaar dichter bij de staartbasis uitgevoerd en konden de buigspiertjesintact gelaten worden.Het ‘trickle-down effect’ van de mode, navolging van wat gebruikelijk was bij de paradepaardenvan de upper class, speelde hierin een allesoverheersende rol. De operatie werd algemeen preciesin de tijd dat het Belgisch trekpaard nationaal en internationaal zijn grootste bloeiperiode kende.Vandaar wellicht dat de praktijk zo innig geassocieerd werd met het succes van dit type paard.Hoewel de ingreep sinds geruime tijd verboden is, wordt hij toch toegepast onder medischevoorwendsels: om komaf te maken met slecht helende staartwonden.
Volledige tekst: 
pp 47-52
Uit het verleden

86 (6) pp 388

Titel: 
Van rondtrekkende beerhouders naar topgenetica
Auteur(s): 
J. DE SMET
Samenvatting: 
Een kort overzicht wordt gegeven van de geschiedenis van de varkensselectie na WereldoorlogII. Aanvankelijk speelden rondtrekkende beerhouders hierin een belangrijke rol. De door henondersteunde selectie naar een betere vlees-vetverhouding met minder aandacht voor groei, voederomzeten vruchtbaarheid, werd gestimuleerd door berenkeuringen, het varkensstamboek enfokvarkensveilingen. De selectie had voor gevolg dat bijna de hele Belgische varkenspopulatiegebaseerd op het Belgisch landvarken en de piétrain stressgevoelig werd. Voor het opsporen vande stressgevoeligheid werd in de zeventiger jaren van de vorige eeuw de halothaantest op puntgesteld. De inzet van stressnegatieve beren voor de fok van productiezeugen zorgde al snel vooreen opmars van het stressnegatieve gen in het Belgisch landras. Vanaf 1985 werden die varkensingeschreven in een apart stamboek ‘Belgisch halothaan-negatief’. Zo kwam men geleidelijktot zeugenlijnen die homozygoot stressnegatief waren (AA): het Belgisch negatief ras of BN-ras.In 1981-82 werd de halothaantest stopgezet. Men kweekte verder met de lijnen die stressnegatiefwaren. Vanaf 1992 werd ook bloedonderzoek mogelijk: met een DNA-test kon het genotypevan de dieren op het gebied van stressgevoeligheid opgespoord worden. Door de introductie vankunstmatige inseminisatie (KI) kon men relatief kleine piétrainberen inzetten op de grote zeugenvan het Belgisch landras. Daardoor volstond een minder bevleesde zeug om toch tot de besteslachtvarkens te komen. Dus kon men de zeugen opnieuw selecteren op vruchtbaarheid en worpgrootte.Door gebruik te maken van de hybridefoktechniek kon men selecteren op worpgrootte(bij de zeugen) en op bevleesdheid (bij de beren). Bij kruisingen bekomt men veel biggen metvoldoende vleesaanzet. Bijna alle slachtvarkens bij ons hebben een piétrainbeer als vader.De technieken gebruikt bij de natuurlijke dekking, de sperma-afname en de kunstmatige inseminatieworden beschreven, samen met de factoren die de bevruchtingsresultaten beïnvloeden.De drachtigheidsresultaten worden voor een belangrijk stuk bepaald door de manier waarop debronstdetectie uitgevoerd wordt. Op grote fokbedrijven wordt zaad van de beren afgenomen enter plaatse geïnsemineerd. In andere gevallen gebeurt dit in de KI-centra, waarbij het verdundesperma na controle op kwaliteit rechtstreeks bij de zeugenhouders wordt afgeleverd die dan zelfde inseminaties uitvoeren. In 2010 werden negen op tien Vlaamse biggen kunstmatig verwektmet sperma uit een erkend KI-centrum.
Volledige tekst: 
pp 388-394
Uit het verleden

85 (6) pp 368

Titel: 
Al of niet bedwelmd slachten en offeren: wat er achter de woorden schuilt
Auteur(s): 
L. DEVRIESE
Samenvatting: 
De term ‘slachten’ is afgeleid van slaan, knock-out slaan. Bewusteloos slaan was een primitieve,nogal drastische vorm van bedwelming voor het slachten van vee. Dat werd steevast gevolgddoor het eigenlijke doden met verbloeden door halssnede of doorsnijden van de grote bloedvatenbij het hart. De moderne varianten met schiettoestellen en metalen pennen of met elektrische bedwelmingverschillen niet wezenlijk van het ‘slaan’ met de hamer. Gewezen wordt op het belangvan deze methode als basis van het onderscheid met ritueel slachten in de joodse traditie en ookmet het ‘nekken’ (doorsnijden van het ruggenmerg in de nek) zoals in grote delen van de wereldgebruikelijk bij rundvee, bij ons enkel bij kleinvee (kippen, konijnen, duiven). Bij een tweede belangrijkevorm van ritueel slachten, voor de productie van vlees toegelaten (halal) voor moslims,is niet de manier van slachten essentieel, wel een minstens rudimentair ritueel van offeren aanAllah. Bedwelmen kan ook voor halalvlees, mits het dier niet doodgeslagen wordt en goed uitbloedt.Dit wordt tot op heden echter slechts door een minderheid van islamgeleerden aanvaard.Een korte beschrijving wordt gegeven van de achtergrond van de voorschriften, die vermoedelijkte zoeken zijn in de oertijden van de veehouderij, toen het slachten van een dier bij herdersvolkerennog iets zeer uitzonderlijk was, iets wat zelfs de plaats kon innemen van het mensenofferaan God, zoals het bijbelverhaal van Abraham illustreert. In de christelijke traditiegebeurde dat door de offerdood van Jezus, zoon van God, het Lam Gods, dagelijks herhaald inhet misoffer. Dat offer betekende een radicale breuk met de joodse voedselvoorschriften. Hetverklaart niet enkel de afwezigheid van rituelen bij het slachten zoals bij ons gebruikelijk, maarook het stilaan verdwijnen van op religie gebaseerde voedseltaboes na de eerste eeuwen van hetchristendom.
Volledige tekst: 
pp 368-377
Uit het verleden

Pagina's