Uit het verleden

Nederlands

87 (4) pp 237

Titel: 
Diergeneeskundige kennis in de lekenpraktijk: handschrift Bouckaert anno 1880
Auteur(s): 
L. DEVRIESE, J. BOUCKAERT
Samenvatting: 
Een handschrift in 1880 opgesteld door een lid van de vooral in paarden- en dierenartsenmiddensgekende Waregemse familie Bouckaert, geeft een goed idee van de ziekteleer en geneeskundevan dieren in de praktijk van die tijd. Die was nog voor een groot gedeelte in handenvan ongediplomeerde genezers, meestal in hoofdberoep hoefsmid, soms boer, of zoals FrancisBouckaert, opsteller van het hier behandelde handschrift, slachter. Deze Bouckaert blijkt goedop de hoogte geweest te zijn van de toenmalige veeartsenijkundige literatuur, wat niet belette dathij daarnaast bezweringsformules en middeltjes opnam, gebruikt in de volksgeneeskunde. Opmerkelijkin het handschrift is ook de aandacht besteed aan duivenziekten. In een duidelijk afgescheidengedeelte wordt een korte beschrijving gegeven van koopvernietigende gebreken en deomgang met sommige erg infectieuze veeziekten, voorbehouden aan gediplomeerde veeartsen, de‘experts vétérinaires’ van die tijd. Als voorbeeld van accurate beschrijving van een ziektebeeldin het handschrift, met de nodige reserves bij de opgave van gebruikelijke behandelingen, wordteen citaat over de ziekte van Carré weergegeven.
Volledige tekst: 
pp 237-239
Uit het verleden

87 (2) pp 105

Titel: 
De Romeinse hondengrafvondsten van Tongeren
Auteur(s): 
L. A.A. JANSSENS
Samenvatting: 
In Tongeren centrum werd bij een opgraving een graf van een grote hond gevonden uit deRomeinse periode. Ter hoogte van de mond lag een vaatwerkje als grafgift: een rond terrasigillata-schaaltje. Dit was of moest doorgaan voor het etensbakje van het dier. Door het afbrekenvan de randen wordt symbolisch aangegeven dat het bakje na de dood niet meer kon wordengebruikt. De symboliek van de etensbak met afgebroken randen kan ook geplaatst worden in eenKeltische traditie waarbij mythische honden dagelijks stukjes van de volle maan afbeten en zode maancyclus creëerden.Deze vondst is uitzonderlijk, maar past in de zeer lange traditie van hondenbegrafenissen, metals vroegste vondst deze van Bonn-Oberkassel daterend van 14 200 jaar geleden en voortdurendtot in het heden. Ook nu nog geven mensen vaak voorwerpen mee bij een graf of urne van hungezelschapsdier.
Volledige tekst: 
pp 105-109
Uit het verleden

87 (1) pp 47

Titel: 
Staarten couperen: modeverschijnsel in de late 19de eeuw geïntroduceerd bij het Belgisch trekpaard
Auteur(s): 
L. DEVRIESE
Samenvatting: 
In tegenstelling tot wat veelal gedacht wordt, is de gewoonte om staarten te couperen bijhet Belgisch trekpaard nog niet zo oud. De ingreep werd geïntroduceerd in de laatste decenniavan de 19de eeuw. Talrijke afbeeldingen, schilderijen van beroemde dierenschilders, zoals AlfredVerwee (1838 – 1895) en anderen, tonen prijsdieren en werkpaarden voor dagelijks gebruikvoorzien van intacte staarten met volle beharing. Op de foto’s en schilderijen is ook te zien datde stompen in de eerste decennia na het in zwang komen van het couperen nog vrij lang gelatenwerden. In het begin werd er ‘angliseren’ toegepast, i.e. amputeren gepaard met doorsnijdenvan de staartbuigspiertjes om de stomp en de ingekorte waaier doorlopend te laten oprichtenen ‘krachtig’ te doen uitkomen, zoals dat ook bij dure rij- en koetspaarden het geval was. Laterwerd de amputatie alsmaar dichter bij de staartbasis uitgevoerd en konden de buigspiertjesintact gelaten worden.Het ‘trickle-down effect’ van de mode, navolging van wat gebruikelijk was bij de paradepaardenvan de upper class, speelde hierin een allesoverheersende rol. De operatie werd algemeen preciesin de tijd dat het Belgisch trekpaard nationaal en internationaal zijn grootste bloeiperiode kende.Vandaar wellicht dat de praktijk zo innig geassocieerd werd met het succes van dit type paard.Hoewel de ingreep sinds geruime tijd verboden is, wordt hij toch toegepast onder medischevoorwendsels: om komaf te maken met slecht helende staartwonden.
Volledige tekst: 
pp 47-52
Uit het verleden

86 (6) pp 388

Titel: 
Van rondtrekkende beerhouders naar topgenetica
Auteur(s): 
J. DE SMET
Samenvatting: 
Een kort overzicht wordt gegeven van de geschiedenis van de varkensselectie na WereldoorlogII. Aanvankelijk speelden rondtrekkende beerhouders hierin een belangrijke rol. De door henondersteunde selectie naar een betere vlees-vetverhouding met minder aandacht voor groei, voederomzeten vruchtbaarheid, werd gestimuleerd door berenkeuringen, het varkensstamboek enfokvarkensveilingen. De selectie had voor gevolg dat bijna de hele Belgische varkenspopulatiegebaseerd op het Belgisch landvarken en de piétrain stressgevoelig werd. Voor het opsporen vande stressgevoeligheid werd in de zeventiger jaren van de vorige eeuw de halothaantest op puntgesteld. De inzet van stressnegatieve beren voor de fok van productiezeugen zorgde al snel vooreen opmars van het stressnegatieve gen in het Belgisch landras. Vanaf 1985 werden die varkensingeschreven in een apart stamboek ‘Belgisch halothaan-negatief’. Zo kwam men geleidelijktot zeugenlijnen die homozygoot stressnegatief waren (AA): het Belgisch negatief ras of BN-ras.In 1981-82 werd de halothaantest stopgezet. Men kweekte verder met de lijnen die stressnegatiefwaren. Vanaf 1992 werd ook bloedonderzoek mogelijk: met een DNA-test kon het genotypevan de dieren op het gebied van stressgevoeligheid opgespoord worden. Door de introductie vankunstmatige inseminisatie (KI) kon men relatief kleine piétrainberen inzetten op de grote zeugenvan het Belgisch landras. Daardoor volstond een minder bevleesde zeug om toch tot de besteslachtvarkens te komen. Dus kon men de zeugen opnieuw selecteren op vruchtbaarheid en worpgrootte.Door gebruik te maken van de hybridefoktechniek kon men selecteren op worpgrootte(bij de zeugen) en op bevleesdheid (bij de beren). Bij kruisingen bekomt men veel biggen metvoldoende vleesaanzet. Bijna alle slachtvarkens bij ons hebben een piétrainbeer als vader.De technieken gebruikt bij de natuurlijke dekking, de sperma-afname en de kunstmatige inseminatieworden beschreven, samen met de factoren die de bevruchtingsresultaten beïnvloeden.De drachtigheidsresultaten worden voor een belangrijk stuk bepaald door de manier waarop debronstdetectie uitgevoerd wordt. Op grote fokbedrijven wordt zaad van de beren afgenomen enter plaatse geïnsemineerd. In andere gevallen gebeurt dit in de KI-centra, waarbij het verdundesperma na controle op kwaliteit rechtstreeks bij de zeugenhouders wordt afgeleverd die dan zelfde inseminaties uitvoeren. In 2010 werden negen op tien Vlaamse biggen kunstmatig verwektmet sperma uit een erkend KI-centrum.
Volledige tekst: 
pp 388-394
Uit het verleden

85 (6) pp 368

Titel: 
Al of niet bedwelmd slachten en offeren: wat er achter de woorden schuilt
Auteur(s): 
L. DEVRIESE
Samenvatting: 
De term ‘slachten’ is afgeleid van slaan, knock-out slaan. Bewusteloos slaan was een primitieve,nogal drastische vorm van bedwelming voor het slachten van vee. Dat werd steevast gevolgddoor het eigenlijke doden met verbloeden door halssnede of doorsnijden van de grote bloedvatenbij het hart. De moderne varianten met schiettoestellen en metalen pennen of met elektrische bedwelmingverschillen niet wezenlijk van het ‘slaan’ met de hamer. Gewezen wordt op het belangvan deze methode als basis van het onderscheid met ritueel slachten in de joodse traditie en ookmet het ‘nekken’ (doorsnijden van het ruggenmerg in de nek) zoals in grote delen van de wereldgebruikelijk bij rundvee, bij ons enkel bij kleinvee (kippen, konijnen, duiven). Bij een tweede belangrijkevorm van ritueel slachten, voor de productie van vlees toegelaten (halal) voor moslims,is niet de manier van slachten essentieel, wel een minstens rudimentair ritueel van offeren aanAllah. Bedwelmen kan ook voor halalvlees, mits het dier niet doodgeslagen wordt en goed uitbloedt.Dit wordt tot op heden echter slechts door een minderheid van islamgeleerden aanvaard.Een korte beschrijving wordt gegeven van de achtergrond van de voorschriften, die vermoedelijkte zoeken zijn in de oertijden van de veehouderij, toen het slachten van een dier bij herdersvolkerennog iets zeer uitzonderlijk was, iets wat zelfs de plaats kon innemen van het mensenofferaan God, zoals het bijbelverhaal van Abraham illustreert. In de christelijke traditiegebeurde dat door de offerdood van Jezus, zoon van God, het Lam Gods, dagelijks herhaald inhet misoffer. Dat offer betekende een radicale breuk met de joodse voedselvoorschriften. Hetverklaart niet enkel de afwezigheid van rituelen bij het slachten zoals bij ons gebruikelijk, maarook het stilaan verdwijnen van op religie gebaseerde voedseltaboes na de eerste eeuwen van hetchristendom.
Volledige tekst: 
pp 368-377
Uit het verleden

85 (4) pg 237

Titel: 
‘Le jumart’: mythe of mysterie in de dierlijke reproductie?
Auteur(s): 
P.E.J. BOLS, H.F.M. DE PORTE
Samenvatting: 
Ooit was er een tijd waarin de wetenschap zich nog moest ‘ontpoppen’. Een tijdperk waarin demens bestaande kennis extrapoleerde tot een niveau dat vaak de werkelijkheid oversteeg. Geloof hetof niet, maar deze periode ligt niet zo ver achter ons. Voordat dieren in lactatie kunnen komen, moetenze zich voortplanten. En de voortplanting van dieren heeft de fantasie van de mens altijd al geprikkeld.Uit deze fantasie ontstond een zeer interessante mythe – of is het een mysterie?: het bestaan van eenkruising tussen een paard en een rund, ‘le jumart’.Naast de alom bekende kruising tussen een paard en een ezel beschreef de Franse ‘capitaine desharas’, François Alexandre de Garsault (1692-1778), in zijn wijdverspreide en bekende ‘Nouveau ParfaitMaréchal’, dat voor het eerst werd gepubliceerd in 1741, de kruising tussen een paard en een rund.Uit verder onderzoek blijkt dat hij niet de enige was die geloofde in het bestaan van een dergelijke hybride soort. Andere gerespecteerde ‘moderne’ wetenschappers hebben zelfs volledige hoofdstukken in hun handboeken aan deze diersoort gewijd, zoals de Franse naturalist en arts, Jean-Pierre Buchoz (1731-1807), in zijn ‘Traité Economique et Physique de Gros Menu Bétail’ (1778). Ook de opiniemakers Charles Bonnet (1720-93) en Lazzarro Spallanzani (1729-99) waren ervan overtuigd dat deze dieren de weiden begraasden in het Frankrijk van de 18e eeuw. Zelfs de oprichter van de eerste ‘Ecole Vétérinaire’ ter wereld, Claude Bourgelat (1712-1779), getuigde in een brief aan Bonnet dat hij een nakomeling van een hengst en een koe met zijn eigen ogen had mogen aanschouwen. Gelukkig kon het debat ook rekenen op belangrijke tegenstanders, met Albrecht von Haller als een van de belangrijkste voortrekkers. Von Haller publiceerde in de ‘Supplément à l’Encyclopédie ou Dictionnaire Raisonné des Sciences, des Arts et Métiers’ (1777) een bijdrage waarin hij het bestaan van de jumart als een fabel afdeed.Pas een eeuw later publiceerde André Suchetet (1849-1910) een ‘Extrait des Mémoires de la Société Zoologique de France’ met als titel ‘La Fable des Jumarts’ (1889). Deze 19de-eeuwse politicus, die als lid van meerdere wetenschappelijke verenigingen een grote interesse toonde in hybridisatie, aanvaardde de uitdaging om de wetenschappelijke wereld naar een algemene conclusie over dit enigma te leiden.In deze paper worden in chronologische volgorde de opkomst en val beschreven van een van de meest fascinerende ‘fabula’ in de voortplantingsgeneeskunde en een antwoord geformuleerd waarom de opkomende moderne wetenschap er tweehonderd jaar heeft over gedaan om te bepalen of dit een mythe dan wel een mysterie was.
Volledige tekst: 
pp 237-248
Uit het verleden

85 (2) pg 106

Titel: 
Museumcollectie diergeneeskundig verleden Merelbeke: een overzicht 1994 - 2014
Auteur(s): 
L. DEVRIESE
Samenvatting: 
Sinds ongeveer twintig jaar groeit in de faculteit een verzameling die een stukje herinneringwil levendig houden aan wat zieke dieren vroeger te wachten stond. Meer in het bijzonder wordtgepoogd de rol daarin van de dierenarts-practicus te illustreren. Dit gebeurt aan de hand vaninstrumenten, foto’s, handboeken, allerhande documentatie op papier (‘Vliegende Bladen’) eneen digitaal archief. De collectie vormt de basis van teksten in de rubriek ‘Uit het verleden’ indit tijdschrift, van medewerking aan tentoonstellingen en van kleine thematische presentaties‘Veterinair Verleden in de Vitrine’, tijdelijk opgesteld in voor bezoekers en studenten vrij toegankelijkeruimten op de campus in Merelbeke. Een kort overzicht wordt gegeven van deze ‘MuseumcollectieDiergeneeskundig Verleden Merelbeke’ (MDVM), die samengesteld en bewaardwordt in het decanaat van de Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent.
Volledige tekst: 
pp 106-109
Uit het verleden

84(6) pg 333

Titel: 
De Maréchal-Vétérinaire in de Grande Armée van Napoleon (1805-1815)
Auteur(s): 
P.E.J. BOLS, E. DUMAS, J. OP DE BEECK, H.F.M. DE PORTE
Samenvatting: 
Op 18 juli 2015 was het precies tweehonderd jaar geleden dat Napoleon met zijn GrandeArmée werd verslagen door de geallieerde strijdkrachten in wat de geschiedenis zou ingaanals de Slag bij Waterloo. Tijdens de tien jaar die aan deze nederlaag voorafgingen, bouwde deFranse keizer een gigantische troepenmacht uit waarin de bereden component of cavalerie eenzeer belangrijke rol speelde. Omdat de paarden die hierin figureerden eerder al het onderwerpwaren van een publicatie in dit tijdschrift, richt dit artikel specifiek de aandacht op de militaireveeartsen die als paardenarts instonden voor de verzorging van de honderdduizenden legerpaardendie tijdens het verloop van het keizerrijk onder de wapens werden gebracht. Na eenkorte inleiding over het ontstaan van het veeartsenijkundig onderricht, wat hand in hand gingmet de geboorte van de militaire veearts, wordt dieper ingegaan op zijn rekrutering, statuut enwerkomgeving. Hierbij wordt de rol van de keizer zelf beschreven met een bespreking van hetdecreet van Moskou dat voor het veeartsenijkundig onderwijs van zeer groot belang is geweest.Tenslotte worden de werkomstandigheden van de militaire veeartsen belicht aan de hand vanenkele ooggetuigenverslagen.
Volledige tekst: 
pp 333-342
Uit het verleden

84(5) pg 278

Titel: 
La relation entre l’homme et le chat dans les anciens Pays-Bas au moyen âge et à l’époque moderne - II. Le chat domestique et le chat tourmenté
Auteur(s): 
E. AERTS
Samenvatting: 
Ce n’est que vers le milieu du XVIIe siècle que le chat s’est vu accorder une place modestedans la sphère familiale. Malgré cette revalorisation, pour une grande majorité de la population,la vie quotidienne restait avant tout une lutte pour la survie, les chats étant l’objet de divertissementspopulaires cruels et d’une violence structurelle. La vraie révolution dans notre relationavec le chat n’est intervenue que récemment. L’anthropomorphisation séculaire en vertu delaquelle toutes sortes de caractéristiques humaines sont naïvement attribuées au chat, subsisteplus que jamais.
Volledige tekst: 
pp 278-280
Uit het verleden

84(4) pg 212-222

Titel: 
La relation entre l’homme et le chat dans les anciens Pays-Bas au moyen âge et à l’époque moderne – I. Le chat utile, diabolique et imaginaire
Auteur(s): 
E. AERTS
Samenvatting: 
RESUMELes rapports entre l’homme et le chat dans les anciens Pays-Bas au cours des siècles passéspeuvent être qualifiés de kaléidoscopiques, mais aussi contradictoires, problématiques et ambigus.Les hommes, surtout des intellectuels dans l’Église, ont bien vite apprécié les côtés utiles de leurrelation avec le chat, mais ont aussi, dès le XIIe siècle, commencé à diaboliser l’animal. Dans lesanciens Pays-Bas également, l’image du chat démonologique était largement répandue, maison n’y trouve aucune trace de procès de chats ou d’exécutions de chats à proprement parler.Au même moment s’est développée, tant dans la littérature que dans les arts plastiques, unereprésentation emblématique associant le chat à d’autres caractéristiques négatives comme laparesse, la vanité, l’arrogance et surtout la luxure.
Volledige tekst: 
pp 212-222
Uit het verleden

Pagina's