Overzichtsartikel(en)

Nederlands

84 (4) pg 175-187

Titel: 
Kenmerken van de voortplanting en de geassisteerde voortplanting bij de witte (Ceratotherium simum) en zwarte (Diceros bicornis) neushoorn
Auteur(s): 
C. VERVERS, M. VAN ZIJLL LANGHOUT, J. GOVAERE, A. VAN SOOM
Samenvatting: 
SAMENVATTINGDe populatie in het wild levende witte en zwarte neushoorns neemt drastisch af, hoofdzakelijkten gevolge van stroperij en het verlies van de natuurlijke habitat. Geassisteerde voorplanting kandienen om waardevolle bloedlijnen te behouden en om neushoorns te kweken met als doel de soortin stand te houden en eventueel zelfs terug in het wild te introduceren. Omdat neushoorns moeilijk tebenaderen en te onderzoeken zijn, is er nog relatief weinig bekend over de natuurlijke en kunstmatigevoortplanting. De neushoorn behoort tot de onevenhoevigen (Perissodactyla), waartoe ook het paarden de tapir behoren. Zodoende kan het paard wellicht het best als model dienen voor het bestuderen vande karakteristieken van de voortplanting en geassisteerde voortplantingstechnieken bij de neushoorn.In dit overzichtsartikel wordt de huidige stand van zaken weergegeven.
Volledige tekst: 
pp 175-187
Overzichtsartikel(en)

84 (2) pg 073-079

Titel: 
Vergelijkende erfelijke en pathogenische kenmerken van hypertrofische cardiomyopathie bij de kat en de mens
Auteur(s): 
M. LHOMME, R. DUCATELLE
Samenvatting: 
Hypertrofische cardiomyopathie (HCM) wordt gekenmerkt door een hypertrofisch, nietgedilateerdlinkerventrikel. Met een prevalentie van ongeveer 0,2% bij mensen en 15% bijkatten is dit één van de meest voorkomende hartafwijkingen. In het merendeel van de gevallenis de aandoening erfelijk bepaald, maar ze kan ook verworven zijn. De klinische symptomenzijn variabel. Genotypisch aangetaste individuen kunnen (ernstige) symptomen van hartfalenvertonen of zelfs abrupt sterven, maar ze kunnen ook gedurende heel het leven asymptomatischblijven.Er zijn bij de mens reeds meer dan 1400 polymorfismen gedetecteerd in dertien genendie coderen voor sarcomeereiwitten in het hart. Een deel van deze hebben een invloed ophet aangemaakte eiwit en zijn, samen met modificerende genen en omgevingsfactoren,verantwoordelijk voor de ontwikkeling van hypertrofische cardiomyopathie. Bij de kat werdentot op heden slechts drie mutaties geïdentificeerd in een gen dat codeert voor één sarcomeereiwit.Voor deze drie mutaties bestaan reeds commerciële diagnostische testen. Deze mutaties zijnslechts verantwoordelijk voor een kleine fractie van de gevallen van HCM bij de kat. Wil menpreventief ingrijpen, dan is het van belang om zo veel mogelijk oorzakelijke mutaties te kennen.Er zijn veel raakpunten tussen de feliene en humane vorm van hypertrofische cardiomyopathie.Zowel de manier van overerven (autosomaal) als de klinische verschijning en dehistopathologische veranderingen komen overeen tussen de verschillende species. Er is echternog te weinig bekend over de sarcomeereiwitten en hun mutaties om informatie te extrapolerenvan mens naar kat en vice versa.
Volledige tekst: 
pp 073-079
Overzichtsartikel(en)

84 (2) pg 063-072

Titel: 
Eigenschappen en toekomstperspectieven van mesenchymale stamcellen bij honden
Auteur(s): 
F. COMBES, E. DE BAKKER, C. DE SCHAUWER, E. MEYER
Samenvatting: 
Het therapeutisch gebruik van caniene mesenchymale stamcellen (cMSC) kent de laatste jareneen sterke toename binnen de diergeneeskunde. MSC zijn stromale cellen die in vitro multipotentestamceleigenschappen vertonen. Endogeen bezitten ze trofische, immunoregulerende,antimicrobiële en hematopoïese-ondersteunende functies. Exogeen toegediende MSC vertonenbovendien een opmerkelijk migrerend vermogen naar hypoxische en inflammatoire regio’s. Erzijn in stijgende mate indicaties dat MSC ook uit pericyten kunnen ontstaan. Zowel de verschillendeinvloeden die het micromilieu uitoefent op deze adulte stamcellen, als het gebruik vanniet-gestandaardiseerde methoden voor isolatie en expansie leiden tot heterogene celpopulaties.Bijkomend onderzoek is nodig om deze beloftevolle therapieën in de toekomst zonder voorbehoudtoegepast kunnen worden bij de hond.
Volledige tekst: 
pp 063-072
Overzichtsartikel(en)

84(1) pg 3-9

Titel: 
Consumptie van rood en verwerkt vlees en humane colorectale kanker. Is er een verband?
Auteur(s): 
K.J.M. Van Hoof, L.Y. Hemeryck, L. Vanhaecke
Samenvatting: 
Colorectale kanker (CRK) is een aandoening die elk jaar meer dan één miljoen personen treft.Vooral transitielanden met een toenemende industrialisatie en urbanisatie kennen een stijgendeincidentie, wat aangeeft dat de invloed van milieufactoren erg belangrijk is in de pathogenesevan CRK. Een van deze factoren is de consumptie van vers en bereid rood vlees.Hoewel reeds decennia geleden een verband kon worden aangetoond tussen de consumptievan rood en bereid vlees en de ontwikkeling van colonkanker, bestaat er nog steeds controverserond deze problematiek. De resultaten van epidemiologische studies zijn vaak inconsistent enuitspraken over de negatieve invloed van vleesconsumptie kunnen een grote impact hebben opde vleesindustrie.Een belangrijke stap om gefundeerde adviezen te kunnen geven omtrent de consumptie vanrood en bereid vlees, is de identificatie van de onderliggende mechanismen die de schadelijkeeffecten van vlees kunnen verklaren. Verschillende hypothesen werden recent geformuleerd enonderzocht.
Volledige tekst: 
pp 3-9
Overzichtsartikel(en)

83(6) pg 284-292

Titel: 
Heeft de uitwendige gehoorgang van walvisachtigen nog enige functie?
Auteur(s): 
S. DE VREESE, M. DOOM, J. HAELTERS, P. CORNILLIE
Samenvatting: 
Alle walvisachtigen stammen af van landzoogdieren, waardoor het gehoorapparaat van beidein essentie uit dezelfde anatomische structuren bestaat. Zo beschikken walvissen ook over eenbuiten-, een midden- en een binnenoor. Deze onderdelen vertonen echter sterke evolutionaireaanpassingen aan het horen onder water. Daarenboven hebben bijkomende morfologische elementen,zoals het akoestisch vet en de onderkaaktakken, evolutionair een akoestische functieverworven in het geleiden van het geluid richting trommelholte. De oorspronkelijke functie vanandere structuren, zoals de uitwendige gehoorgang, wordt daarom in vraag gesteld. Hoe hetgehoorapparaat van walvisachtigen functioneert, is nog niet volledig bekend. Die inzichten zijnechter wel cruciaal. Een goede kennis van de werking kan immers helpen om de impact vanantropogene geluidsvervuiling in te schatten. Hoogenergetisch onderwatergeluid kan leiden totfysieke schade en gehoorverlies, fysiologische stress, gedragsveranderingen, communicatievestoornissen en meer. In deze studie worden aan de hand van histologische dwarsdoorsneden,de gehoorgang van een witsnuitdolfijn (Lagenorhynchus albirostris) en een dwergvinvis (Balaenopteraacutorostrata) vergeleken en onderzocht. Deze gehoorgangen lijken rudimentair, meteen klein tot afwezig lumen. Echter, de goede doorbloeding, grote spierbundels, actieve klierenen duidelijke bezenuwing kunnen bij beide onderzochte soorten duiden op enige functionaliteitvan het uitwendige oor. Bovendien zijn structuurtjes aanwezig die morfologische gelijkenis vertonenmet corpusculi lamellosi, i. e. lichaampjes van Vater-Pacini. De functie van deze potentiëlemechanoreceptoren is niet bekend, al zouden ze een rol kunnen spelen in de waarneming vandrukveranderingen bij het duiken.
Volledige tekst: 
pp 284-293
Overzichtsartikel(en)

83(6) pg 275

Titel: 
Caniene recurrente flankalopecia: synthese van theorie en praktijk
Auteur(s): 
S. VANDENABEELE, J. DECLERCQ, H. DE COCK, S. DAMINET
Samenvatting: 
  SAMENVATTINGCaniene recurrente flankalopecia wordt klassiek gekenmerkt door een niet-inflammatoire alopeciamet onbekende etiologie. Deze dermatose wordt getypeerd door unieke huidsymptomen. Alhoewel deaandoening relatief frequent voorkomt in het noordelijk halfrond en dus ook in België, is er slechtsbeperkte informatie over te vinden in de literatuur. Het doel van dit overzichtsartikel is om enerzijdseen samenvatting te geven van de literatuur en anderzijds de verschillende klinische presentatiesdie herkend worden in de dagelijkse praktijk maar niet vaak beschreven worden in de literatuur, tedocumenteren.
Volledige tekst: 
pp 275-283
Overzichtsartikel(en)

83(5) pg 234

Titel: 
Hypoplasie van de vena portae bij honden
Auteur(s): 
N. DEVRIENDT, M. OR, D. PAEPE, E. VANDERMEULEN, M. HESTA, H.E.V. DE COCK, H. DE ROOSTER
Samenvatting: 
Hypoplasie van de vena portae (PVH) is een aangeboren afwijking waarbij intrahepatische, microscopischeshunts aanwezig zijn, waardoor het bloed niet door de leversinusoïden vloeit. De klinischepresentatie en laboratoriumbevindingen vertonen sterke gelijkenissen met deze van patiënten met eenextrahepatische portosystemische shunt (EHPSS). De differentiatie dient te gebeuren op basis vanhet al dan niet aanwezig zijn van een macroscopische shunt bevestigd met medische beeldvormingstechnieken.In dit overzichtsartikel worden de belangrijke aspecten van PVH overlopen, inclusief deverschillen met EHPSSs. Verder wordt ingegaan op de uitdaging om beide aandoeningen te diagnosticerenbij honden die zowel PVH als een EHPSS hebben.
Volledige tekst: 
pp 234-239
Overzichtsartikel(en)

83 (4) 155-163

Titel: 
Kenmerken en uitdagingen van de huidige Belgische vleeskalversector
Auteur(s): 
B. PARDON, B. CATRY, R. BOONE, H. THEYS, K. DE BLEECKER, J. DEWULF, P. DEPREZ
Samenvatting: 
SAMENVATTINGIn dit artikel wordt de Belgische vleeskalversector gesitueerd binnen Europa en wordt eenoverzicht gegeven van de belangrijkste vroegere, hedendaagse en toekomstige uitdagingen voorde sector. Om blank kalfsvlees te produceren, dienen de dieren in een gecontroleerde anemischetoestand gehouden te worden, hetgeen een specifieke voeding en huisvesting vraagt. Als reactie opde toegenomen maatschappelijke bezorgdheid inzake het welzijn van vleeskalveren werden eenwettelijk minimumgehalte voor hemoglobine (in 1990), een minimum hoeveelheid vast voedsel omeen betere pensontwikkeling te stimuleren en groepshuisvesting vanaf de leeftijd van acht weken (in2007) geïmplementeerd. De geïntegreerde structuur van de sector heeft er vermoedelijk mede voorgezorgd dat al deze doorgedreven wijzigingen in een relatief beperkte periode konden doorgevoerdworden. Ondanks de voortrekkersrol die de vleeskalversector heeft gespeeld met betrekking tot hetoprichten van kwaliteitslabels en ondanks alle inspanningen voor een betere huisvesting en voeding,blijft de sector onderhevig aan maatschappelijke kritiek. Tegenwoordig worden vooral het intensieveantibioticumgebruik en de hiermee geassocieerde hoge resistentieniveaus van commensale, pathogeneen zoönotische bacteriën bij vleeskalveren sterk bekritiseerd. De toekomstige uitdaging ligt dan ook inde ontwikkeling van een vleeskalversector die slechts een beperkte hoeveelheid antibiotica nodig heeften terzelfdertijd dierenwelzijn en inkomen veilig stelt.
Volledige tekst: 
pp 155-163
Overzichtsartikel(en)

82 (6) pp 337-344

Titel: 
Neonatale iso-erytrolyse bij de kat
Auteur(s): 
F. Snoeck, T. Rijsselaere, A. Van Soom
Samenvatting: 
Neonatale iso-erytrolyse bij kittens kan enkel voorkomen wanneer de moederpoes bloedgroep B en de kater bloedgroep A of AB heeft. De eerste 24 uur na de geboorte is de darmbarrière bij een kitten open, waardoor na het zuigen antistoffen uit het colostrum in de bloedbaan kunnen opgenomen worden. Een kitten met bloedgroep A neemt anti-A-antistoffen op, waardoor zijn eigen erytrocyten vernietigd worden. Bij symptomen, zoals anemie, hemoglobinurie en icterus, is een bloedtransfusie vaak noodzakelijk. Toch blijft het sterftepercentage heel hoog en is preventie uitermate belangrijk. Daarom dient de bloedgroep van risicorassen steeds vóór het fokken te worden bepaald. Het is af te raden om te fokken met een moederpoes met bloedgroep B en een kater met bloedgroep A of AB. Indien dit wel gebeurt, dient men de kittens 24 uur weg te halen bij de moederpoes, ze te voeden met kunstmelk en subcutaan of oraal serum van een goed geïmmuniseerde poes met bloedgroep A toe te dienen.
Volledige tekst: 
pp 337-344
Overzichtsartikel(en)

82 (6) pp 327-336

Titel: 
Toepassingen van mesenchymale stamcellen bij het paard: huidige stand van zaken
Auteur(s): 
C. De Schauwer, E. Meyer, G. Van de Walle, A. Van Soom
Samenvatting: 
Mesenchymale stamcellen (MSC) zijn adulte stamcellen met een beperkte differentiatiecapaciteit. Deze cellen kunnen therapeutisch aangewend worden om weefselregeneratie te stimuleren, vorming van littekenweefsel te voorkomen, immuunresponsen te moduleren en ontstekingsprocessen te reguleren. Binnen de diergeneeskunde worden MSC bij het paard voornamelijk gebruikt voor orthopedische toepassingen, hoewel ze ook een rol zouden kunnen spelen in de behandeling van verschillende niet-orthopedische letsels, zoals allerhande immuungemedieerde, ischemische, inflammatoire en neurologische aandoeningen. De efficiëntie van MSC-therapie kan beïnvloed worden door de gebruikte dosis en de manier en het tijdstip van toedienen. Tevens zijn er voor- en nadelen verbonden aan het gebruik van autologe ten opzichte van allogene MSC. Het gebruik van MSC bij paarden biedt immens veel mogelijkheden maar meer fundamenteel onderzoek en goed opgebouwde klinische trials zijn nodig zodat het potentieel van equine MSC ten volle kan geëvalueerd worden en equine MSC-gebaseerde therapieën kunnen geoptimaliseerd worden.
Volledige tekst: 
pp 327-336
Overzichtsartikel(en)

Pagina's