Overzichtsartikel(en)

Nederlands

87 (4) pp 188

Titel: 
Risicofactoren voor antibioticumgebruik bij voedselproducerende dieren: ziektepreventie en socio-economische factoren als drijfveer?
Auteur(s): 
J. BOKMA, J. DEWULF, P. DEPREZ, B. PARDON
Samenvatting: 
De Europese Unie vraagt om een dringende reductie van het antimicrobieel gebruik bij voedselproducerendedieren. Het uiteindelijke doel is een daling van het antimicrobiële resistentieniveau bijmens en dier en de doeltreffendheid van antimicrobiële middelen te behouden voor toekomstige generaties.De identificatie van risicofactoren voor antimicrobieel gebruik is essentieel om deze reductiete behalen. Dit overzichtsartikel heeft als doel de huidige kennis omtrent risicofactoren voor antimicrobieelgebruik bij vleeskalveren, varkens en pluimvee samen te vatten. Drieëndertig observationelestudies voldeden aan de selectiecriteria. Bekende risicofactoren van antimicrobieel gebruik zijn defrequente aankoop van dieren, de grootte van de kudde (groot of klein, afhankelijk van de diersoort) ende afwezigheid van bepaalde bioveiligheidsmaatregelen. Bij witvleeskalveren worden er bij de vleesrassenmeer antimicrobiële middelen gebruikt dan bij holsteinkalveren. Het antimicrobiële gebruikwordt beïnvloed door zowel de veehouder, de dierenarts als de integratie. In het algemeen wordensocio-economische risicofactoren onvoldoende onderzocht. De uitlokkende factoren van antimicrobiëlegebruik zijn multipel en complex, met mogelijke “confounders” en (nog) niet-geïdentificeerdeinteracties. Bijkomende kennis van de socio-economische factoren is cruciaal voor het ontwerpen vansectorspecifieke richtlijnen en sensibiliseringscampagnes.
Volledige tekst: 
pp 188-200
Overzichtsartikel(en)

87 (4) pp 181

Titel: 
Potentiële therapeutische toepassing van bacteriofagen en faag-afgeleide endolysinen als alternatieve behandeling van boviene mastitis
Auteur(s): 
N. VANDER ELST, E. MEYER
Samenvatting: 
De toename van antimicrobiële resistentie veroorzaakt wereldwijd grote problemen bij de klinischebehandeling van een groeiend aantal bacteriële infecties. Daardoor is er een dringende behoefte aannieuwe antibacteriële middelen als aanvulling op de huidige antibiotica om deze resistente pathogenenonder controle te houden. Mastitis is de meest voorkomende ziekte bij melkvee en veroorzaakt degrootste economische verliezen in de mondiale zuivelindustrie. Het overmatig gebruik van curatieveen preventieve antibiotica in deze sector brengt een reëel risico met zich mee voor het ontstaan vanantimicrobiële resistentie. Bovendien zijn deze traditionele antimicrobiële middelen vaak ineffectief enleiden ze tot residuen in de melk die negatieve gevolgen hebben voor de consument van zuivelproducten.Als alternatieve therapeutische benadering worden momenteel bacteriofagen en faag-gecodeerdeendolysinen (her)onderzocht als potentiële antibacteriële middelen.
Volledige tekst: 
pp 181-186
Overzichtsartikel(en)

87 (3) pp 127

Titel: 
Paratuberculose bij melk- en dwerggeiten: een onderschat probleem?
Auteur(s): 
A. TUERLINCKX, J. VICCA, P. DEPREZ, B. PARDON
Samenvatting: 
Paratuberculose is een chronische, intestinale aandoening bij geiten en andere herkauwers. Het doelvan dit overzichtsartikel is om de huidige kennis omtrent prevalentie, diagnostische mogelijkheden,preventie en mogelijke controlemaatregelen tegen paratuberculose bij melk- en dwerggeiten in Europasamen te vatten. De bedrijfsprevalentie van Mycobacterium avium subspecies paratuberculosis (MAP)is in de ons omringende landen zorgwekkend hoog, namelijk 71%, 63% en 86% in Duitsland, Frankrijken Nederland, respectievelijk. De prevalentie bij dwerggeiten is onbekend. Antistof ELISA, cultuuren PCR van mest zijn vlot beschikbaar om de diagnose te bevestigen. Een sterk suggestief letsel voorparatuberculose is de aanwezigheid van vergrote intestinale lymfeknopen op abdominale echografie.Om deze aandoening onder controle te krijgen, is een combinatie van “test and cull” en hygiënischemaatregelen sterk aangeraden. In tegenstelling tot bij rundvee is vaccineren mogelijk en zou het eenbijdrage kunnen leveren tot controleprogramma’s voor paratuberculose bij geiten. Vaccinantistoffenzijn niet meer detecteerbaar één jaar na vaccinatie, waardoor serologische monitoring mogelijk blijftop gevaccineerde bedrijven. De verontrustende prevalentiecijfers in aangrenzende landen tonen dedringende noodzaak van een prevalentiestudie op melkgeitenbedrijven in België aan.
Volledige tekst: 
pp 127-133
Overzichtsartikel(en)

87 (3) pp 115

Titel: 
Ascenderende placentitis bij de merrie
Auteur(s): 
J. GOVAERE, K. ROELS, C. VERVERS, M. VAN DE VELDE, V. DE LANGE, I. GERITS, M. HOOGEWIJS, A. VAN SOOM
Samenvatting: 
Een ascenderende infectie van de placenta wordt bij 3 tot 7% van de drachtige merries gezien. Hetis een veel voorkomende oorzaak van abortus, premature geboorte en zwak geboren veulens (Troedsson,2003; LeBlanc, 2010). Gezien de infectie opklimt vanuit de caudale geslachtstractus, zijn de eerstezichtbare en meest uitgesproken letsels te vinden ter hoogte van de caudale pool van het allantochorionwaar dit tegen de baarmoedermond aan ligt.De symptomen zijn niet altijd even duidelijk of worden pas heel laat in het ziekteproces opgemerkt.Dit maakt een tijdige diagnose en initiatie van therapie uitermate moeilijk. Experimentele modellen omplacentitis te bestuderen zijn moeilijk te managen en dubbel-blindexperimenten met controlegroepenzijn zeldzaam, waardoor het moeilijk is “evidence-based” advies te formuleren. In dit artikel wordtde diagnose, gebaseerd op de symptomatologie en het echografisch en endocrinologisch onderzoek,besproken en worden enkele therapeutische en prognostische aspecten benadrukt.
Volledige tekst: 
pp 115-126
Overzichtsartikel(en)

87 (2) pp 66

Titel: 
Trypanozoma equiperdum bij het paard – een onbekende bedreiging ?
Auteur(s): 
Y. AHMED, A. HAGOS, B. MERGA, A. VAN SOOM, L. DUCHATEAU, B.M. GODDEERIS, J. GOVAERE
Samenvatting: 
Dourine is een infectieuze en venerisch overdraagbare ziekte bij paarden die veroorzaakt wordtdoor Trypanosoma equiperdum. Deze aandoening is endemisch in Zuid-Amerika, Mongolië, Namibië,Ethiopië, Rusland en Oost-Europa en heeft een negatieve invloed op de gezondheid van de betreffendepaardenpopulaties.De ziekteverspreiding kan bespoedigd worden door het transport van geïnfecteerde dieren ensperma. De huidige kennis over de infectiviteit van het agens tijdens de prepatentperiode bij besmettedieren is minimaal. Aldus kan Dourine in landen verspreid worden die voorheen vrij waren van deziekte. De eigenlijke diagnose is gebaseerd op de identificatie van de parasiet. Gezien dit in de praktijkmeestal niet haalbaar is, wordt het klinisch beeld samen met niet-specifieke serologische testen gebruiktom de ziekte vast te stellen. In dit artikel wordt een overzicht gegeven over het belang van Dourinebij het paard. Verder worden de epidemiologie, het klinische ziektebeeld alsook de mogelijkheden vandiagnostiek en behandeling besproken.
Volledige tekst: 
pp 66-75
Overzichtsartikel(en)

87 (2) pp 059

Titel: 
Stress bij wilde en in gevangenschap levende slangen: kwantificatie, gevolgen en het belang van management
Auteur(s): 
J. VAN WAEYENBERGE, J. AERTS, T. HELLEBUYCK, F. PASMANS, A. MARTEL
Samenvatting: 
Net zoals bij andere diersoorten hebben stress en verminderd welzijn een negatief effect op dementale status, gezondheid en op het gedrag van zowel in het wild als in gevangenschap levendeslangen. Naast antropogene verstoring zijn de beschikbaarheid van voedsel en schuilplaatsen,de aanwezigheid van predatoren en omgevingscondities, zoals seizoenale en klimatologischeveranderingen, de belangrijkste factoren die stress en welzijn van wilde slangenpopulatiesbeïnvloeden. Bij in gevangenschap levende slangen is een ongeschikt management de meestprominente reden van chronische stress en verminderd welzijn. Chronische stress kan bepaaldworden door gedragswijzigingen van de slang, maar een gestandaardiseerde kwantificatiemethodeom (chronische) stresslevels accurater te bepalen, ontbreekt. Een biomerker die gebruikt kan worden,is het gehalte aan corticosterone in bloedplasma, feces en vervellingshuid. 
Volledige tekst: 
pp 059-065
Overzichtsartikel(en)

87 (1) pp 14

Titel: 
Tricuspidalisdysplasie bij de hond
Auteur(s): 
S. FAVRIL, B.J.G. BROECKX , H. DE ROOSTER, P. SMETS, L. PEELMAN, V.C. BAVEGEMS
Samenvatting: 
In dit artikel wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de verschillende aspecten van tricuspidalisklepdysplasiebij honden. Deze aangeboren aandoening werd beschreven bij diverse grote hondenrassenmaar voornamelijk de labrador-retriever is gepredisponeerd. Tricuspidalisklepdysplasie isrelatief zeldzaam met een prevalentie van ongeveer zeven procent van alle congenitale hartafwijkingenbij de hond. De asymptomatische fase kan meerdere jaren duren en hangt voornamelijk af van de ernstvan de afwijking. Tijdens de klinische fase kunnen inspanningsintolerantie, vermoeidheid, anorexie,cardiale cachexie, dyspneu en tekenen van rechterharthalen aanwezig zijn. Echocardiografie inclusiefeen doppleronderzoek is noodzakelijk om de diagnose te bevestigen. Een definitieve behandelingbestaat uit het chirurgisch vervangen van de klep maar dit is technisch moeilijk en bevindt zich bij hondennog in de experimentele fase. Een ondersteunende therapie wordt ingesteld zodra de hond symptomenvan congestief hartfalen ontwikkelt en bestaat uit het toedienen van diuretica, ace-inhibitorenen positief-inotrope farmaca.
Volledige tekst: 
pp 14-21
Overzichtsartikel(en)

87 (1) pp 3

Titel: 
Tandheelkunde bij het paard in de 21e eeuw - Deel 3: Behandeling van gebitsproblemen
Auteur(s): 
E. POLLARIS, S. SCHAUVLIEGE, L. VLAMINCK
Samenvatting: 
In deel 1 en 2 van deze reeks over tandheelkunde bij het paard, die respectievelijk in nummer 4van 2015 en 2016 verschenen zijn, werden de meest voorkomende problemen van het paardengebiten hun diagnose toegelicht. In dit derde en laatste deel wordt er dieper ingegaan op mogelijkebehandelingsopties en de gevallen waarin ze kunnen worden toegepast. Samen met de groeiendebelangstelling voor het paardengebit en de toenemende kennis hiervan zijn de behandelingsoptiesen het beschikbare instrumentarium in de loop der jaren sterk geëvolueerd. Dit geeft zowel depraktijkdierenarts als de meer gespecialiseerde dierenarts de mogelijkheid om zeer uiteenlopendegebitsproblemen afdoende te behandelen.
Volledige tekst: 
pp 03-13
Overzichtsartikel(en)

86 (6) pp 339

Titel: 
Het gebruik van psychofarmaca bij verenplukkende papegaaiachtigen
Auteur(s): 
J. GORTEMAN, G. ANTONISSEN, S. CROUBELS, Y. VAN ZEELAND
Samenvatting: 
  Verenplukken is een zeer frequent voorkomend probleem bij in gevangenschap gehoudenpapegaaiachtigen (Psittaciformes). Naast medische oorzaken kunnen ook sociale omgevingsfactorenen neurobiologische oorzaken ten grondslag liggen, waarbij in het laatste geval gesproken wordtover psychogeen verenplukken. De behandeling van dit gedragsprobleem is primair gericht op hetaanpassen van de omgeving (bijvoorbeeld door het aanbieden van verrijking) en het teweegbrengenvan gedragsveranderingen (gedragstherapie). In de gevallen waarbij deze interventies onvoldoendeof geen effect hebben, kunnen psychofarmaca een goede toevoeging aan de behandelingvormen. Echter, om psychofarmaca op een veilige en verantwoorde manier te gebruiken, is eengrondige kennis nodig van het werkingsmechanisme, de farmacokinetiek en toxiciteit van dezegeneesmiddelen. Specifieke informatie over de werking van psychofarmaca bij vogels ontbreektin de meeste gevallen, met als gevolg dat het (off-label) gebruik daarvan vooral gebaseerd is opempirische bevindingen en dosisextrapolatie uit onderzoek bij zoogdieren. Dit brengt risico’smet zich mee omdat de metabolisatie en gevoeligheid voor de geneesmiddelen kunnen verschillentussen vogels en zoogdieren, wat kan leiden tot therapiefalen en/of ernstige bijwerkingen. Hetin achtnemen van deze beperkingen en de zorgvuldige monitoring van de patiënt zijn dan ookonontbeerlijk voor een verantwoord gebruik van psychofarmaca bij gezelschapsvogels. 
Volledige tekst: 
pp 339-350
Overzichtsartikel(en)

86 (5) pp 275

Titel: 
Substraatgebruik bij paarden tijdens inspanning - een vergelijking tussen de ‘gevaste’ en postprandiale status
Auteur(s): 
J. ROBYN, L. PLANCKE, B. BOSHUIZEN, C. DE MEEÛS, M. DE BRUIJN, C. DELESALLE
Samenvatting: 
Sporten in uitgevaste toestand heeft positieve effecten op het prestatievermogen van humane atleten. Bijpaarden gaat trainen in gevaste toestand gepaard met een toegenomen mobilisatie van vrije vetzuren als energiebron.Er wordt verondersteld dat de hogere beschikbaarheid van vet als energiebron leidt tot een mindersnelle depletie van spierglycogeen en een trager optreden van spierverzuring. Dit draagt in belangrijke matebij tot het minder snel optreden van spiervermoeidheid. Omgekeerd zorgt de opname van een graanmaaltijdvoor een uitgesproken plasma-insulinepiek en de onderdrukking van lipolyse. Gezien ruwvoer, de hoofdcomponentvan het dieet van het paard, een lange passagetijd heeft doorheen de dikke darm, wordt een vollediguitgevaste status bij het paard normaal niet bereikt; dit in tegenstelling tot wat het geval is bij de mens. Hetvoeren van ruwvoer induceert echter geen uitgesproken plasma-insulinepiek en inhibeert daardoor geen lipolyse.Bovendien zorgt de darmflora in de dikke darm, waar het ruwvoer gefermenteerd wordt, voor een buffervan water en elektrolyten, alsook voor een continue bron van propionzuur. Dit propionzuur wordt verwerkt inde lever, waar het een precursor is voor de gluconeogenese. In tegenstelling tot wat bekend is bij menselijkeatleten is er bij paarden nog heel wat te ontdekken wat betreft optimale diëtaire interventies voorafgaand aancompetitie enerzijds en training anderzijds. Welke aanpak er ook gekozen wordt, ruwvoer van hoge kwaliteithoort het sleutelingrediënt te zijn van elk paardendieet. De meeste paarden presteren even goed tot zelfsbeter als ze op een dieet staan met een lager suikergehalte (dus minder of geen krachtvoer), op voorwaardedat hoog kwalitatief ruwvoer wordt aangeboden (gras, voordroog of hooi) in combinatie met een vitaminen/mineralensupplement. Andere alternatieven om niet-structurele koolhydraten te verlagen in het dieet van eenpaard met een hoge energiebehoefte is het gebruik van bijvoorbeeld vezelrijke krachtvoeders of gepilleteerderuwvoerderbronnen, zoals luzernekorrels. Tot slot heeft het frequent voederen van meerdere kleine maaltijdenper dag de voorkeur boven het voederen van twee “grote” maaltijden per dag.
Volledige tekst: 
pp 275-285
Overzichtsartikel(en)

Pagina's