Overzichtsartikel(en) | Vlaams Diergeneeskundig Tijdschrift

Overzichtsartikel(en)

Nederlands

87 (3) pp 127

Titel: 
Paratuberculose bij melk- en dwerggeiten: een onderschat probleem?
Auteur(s): 
A. TUERLINCKX, J. VICCA, P. DEPREZ, B. PARDON
Samenvatting: 
Paratuberculose is een chronische, intestinale aandoening bij geiten en andere herkauwers. Het doelvan dit overzichtsartikel is om de huidige kennis omtrent prevalentie, diagnostische mogelijkheden,preventie en mogelijke controlemaatregelen tegen paratuberculose bij melk- en dwerggeiten in Europasamen te vatten. De bedrijfsprevalentie van Mycobacterium avium subspecies paratuberculosis (MAP)is in de ons omringende landen zorgwekkend hoog, namelijk 71%, 63% en 86% in Duitsland, Frankrijken Nederland, respectievelijk. De prevalentie bij dwerggeiten is onbekend. Antistof ELISA, cultuuren PCR van mest zijn vlot beschikbaar om de diagnose te bevestigen. Een sterk suggestief letsel voorparatuberculose is de aanwezigheid van vergrote intestinale lymfeknopen op abdominale echografie.Om deze aandoening onder controle te krijgen, is een combinatie van “test and cull” en hygiënischemaatregelen sterk aangeraden. In tegenstelling tot bij rundvee is vaccineren mogelijk en zou het eenbijdrage kunnen leveren tot controleprogramma’s voor paratuberculose bij geiten. Vaccinantistoffenzijn niet meer detecteerbaar één jaar na vaccinatie, waardoor serologische monitoring mogelijk blijftop gevaccineerde bedrijven. De verontrustende prevalentiecijfers in aangrenzende landen tonen dedringende noodzaak van een prevalentiestudie op melkgeitenbedrijven in België aan.
Volledige tekst: 
pp 127-133
Overzichtsartikel(en)

87 (3) pp 115

Titel: 
Ascenderende placentitis bij de merrie
Auteur(s): 
J. GOVAERE, K. ROELS, C. VERVERS, M. VAN DE VELDE, V. DE LANGE, I. GERITS, M. HOOGEWIJS, A. VAN SOOM
Samenvatting: 
Een ascenderende infectie van de placenta wordt bij 3 tot 7% van de drachtige merries gezien. Hetis een veel voorkomende oorzaak van abortus, premature geboorte en zwak geboren veulens (Troedsson,2003; LeBlanc, 2010). Gezien de infectie opklimt vanuit de caudale geslachtstractus, zijn de eerstezichtbare en meest uitgesproken letsels te vinden ter hoogte van de caudale pool van het allantochorionwaar dit tegen de baarmoedermond aan ligt.De symptomen zijn niet altijd even duidelijk of worden pas heel laat in het ziekteproces opgemerkt.Dit maakt een tijdige diagnose en initiatie van therapie uitermate moeilijk. Experimentele modellen omplacentitis te bestuderen zijn moeilijk te managen en dubbel-blindexperimenten met controlegroepenzijn zeldzaam, waardoor het moeilijk is “evidence-based” advies te formuleren. In dit artikel wordtde diagnose, gebaseerd op de symptomatologie en het echografisch en endocrinologisch onderzoek,besproken en worden enkele therapeutische en prognostische aspecten benadrukt.
Volledige tekst: 
pp 115-126
Overzichtsartikel(en)

87 (2) pp 66

Titel: 
Trypanozoma equiperdum bij het paard – een onbekende bedreiging ?
Auteur(s): 
Y. AHMED, A. HAGOS, B. MERGA, A. VAN SOOM, L. DUCHATEAU, B.M. GODDEERIS, J. GOVAERE
Samenvatting: 
Dourine is een infectieuze en venerisch overdraagbare ziekte bij paarden die veroorzaakt wordtdoor Trypanosoma equiperdum. Deze aandoening is endemisch in Zuid-Amerika, Mongolië, Namibië,Ethiopië, Rusland en Oost-Europa en heeft een negatieve invloed op de gezondheid van de betreffendepaardenpopulaties.De ziekteverspreiding kan bespoedigd worden door het transport van geïnfecteerde dieren ensperma. De huidige kennis over de infectiviteit van het agens tijdens de prepatentperiode bij besmettedieren is minimaal. Aldus kan Dourine in landen verspreid worden die voorheen vrij waren van deziekte. De eigenlijke diagnose is gebaseerd op de identificatie van de parasiet. Gezien dit in de praktijkmeestal niet haalbaar is, wordt het klinisch beeld samen met niet-specifieke serologische testen gebruiktom de ziekte vast te stellen. In dit artikel wordt een overzicht gegeven over het belang van Dourinebij het paard. Verder worden de epidemiologie, het klinische ziektebeeld alsook de mogelijkheden vandiagnostiek en behandeling besproken.
Volledige tekst: 
pp 66-75
Overzichtsartikel(en)

87 (2) pp 059

Titel: 
Stress bij wilde en in gevangenschap levende slangen: kwantificatie, gevolgen en het belang van management
Auteur(s): 
J. VAN WAEYENBERGE, J. AERTS, T. HELLEBUYCK, F. PASMANS, A. MARTEL
Samenvatting: 
Net zoals bij andere diersoorten hebben stress en verminderd welzijn een negatief effect op dementale status, gezondheid en op het gedrag van zowel in het wild als in gevangenschap levendeslangen. Naast antropogene verstoring zijn de beschikbaarheid van voedsel en schuilplaatsen,de aanwezigheid van predatoren en omgevingscondities, zoals seizoenale en klimatologischeveranderingen, de belangrijkste factoren die stress en welzijn van wilde slangenpopulatiesbeïnvloeden. Bij in gevangenschap levende slangen is een ongeschikt management de meestprominente reden van chronische stress en verminderd welzijn. Chronische stress kan bepaaldworden door gedragswijzigingen van de slang, maar een gestandaardiseerde kwantificatiemethodeom (chronische) stresslevels accurater te bepalen, ontbreekt. Een biomerker die gebruikt kan worden,is het gehalte aan corticosterone in bloedplasma, feces en vervellingshuid. 
Volledige tekst: 
pp 059-065
Overzichtsartikel(en)

87 (1) pp 14

Titel: 
Tricuspidalisdysplasie bij de hond
Auteur(s): 
S. FAVRIL, B.J.G. BROECKX , H. DE ROOSTER, P. SMETS, L. PEELMAN, V.C. BAVEGEMS
Samenvatting: 
In dit artikel wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de verschillende aspecten van tricuspidalisklepdysplasiebij honden. Deze aangeboren aandoening werd beschreven bij diverse grote hondenrassenmaar voornamelijk de labrador-retriever is gepredisponeerd. Tricuspidalisklepdysplasie isrelatief zeldzaam met een prevalentie van ongeveer zeven procent van alle congenitale hartafwijkingenbij de hond. De asymptomatische fase kan meerdere jaren duren en hangt voornamelijk af van de ernstvan de afwijking. Tijdens de klinische fase kunnen inspanningsintolerantie, vermoeidheid, anorexie,cardiale cachexie, dyspneu en tekenen van rechterharthalen aanwezig zijn. Echocardiografie inclusiefeen doppleronderzoek is noodzakelijk om de diagnose te bevestigen. Een definitieve behandelingbestaat uit het chirurgisch vervangen van de klep maar dit is technisch moeilijk en bevindt zich bij hondennog in de experimentele fase. Een ondersteunende therapie wordt ingesteld zodra de hond symptomenvan congestief hartfalen ontwikkelt en bestaat uit het toedienen van diuretica, ace-inhibitorenen positief-inotrope farmaca.
Volledige tekst: 
pp 14-21
Overzichtsartikel(en)

87 (1) pp 3

Titel: 
Tandheelkunde bij het paard in de 21e eeuw - Deel 3: Behandeling van gebitsproblemen
Auteur(s): 
E. POLLARIS, S. SCHAUVLIEGE, L. VLAMINCK
Samenvatting: 
In deel 1 en 2 van deze reeks over tandheelkunde bij het paard, die respectievelijk in nummer 4van 2015 en 2016 verschenen zijn, werden de meest voorkomende problemen van het paardengebiten hun diagnose toegelicht. In dit derde en laatste deel wordt er dieper ingegaan op mogelijkebehandelingsopties en de gevallen waarin ze kunnen worden toegepast. Samen met de groeiendebelangstelling voor het paardengebit en de toenemende kennis hiervan zijn de behandelingsoptiesen het beschikbare instrumentarium in de loop der jaren sterk geëvolueerd. Dit geeft zowel depraktijkdierenarts als de meer gespecialiseerde dierenarts de mogelijkheid om zeer uiteenlopendegebitsproblemen afdoende te behandelen.
Volledige tekst: 
pp 03-13
Overzichtsartikel(en)

86 (6) pp 339

Titel: 
Het gebruik van psychofarmaca bij verenplukkende papegaaiachtigen
Auteur(s): 
J. GORTEMAN, G. ANTONISSEN, S. CROUBELS, Y. VAN ZEELAND
Samenvatting: 
  Verenplukken is een zeer frequent voorkomend probleem bij in gevangenschap gehoudenpapegaaiachtigen (Psittaciformes). Naast medische oorzaken kunnen ook sociale omgevingsfactorenen neurobiologische oorzaken ten grondslag liggen, waarbij in het laatste geval gesproken wordtover psychogeen verenplukken. De behandeling van dit gedragsprobleem is primair gericht op hetaanpassen van de omgeving (bijvoorbeeld door het aanbieden van verrijking) en het teweegbrengenvan gedragsveranderingen (gedragstherapie). In de gevallen waarbij deze interventies onvoldoendeof geen effect hebben, kunnen psychofarmaca een goede toevoeging aan de behandelingvormen. Echter, om psychofarmaca op een veilige en verantwoorde manier te gebruiken, is eengrondige kennis nodig van het werkingsmechanisme, de farmacokinetiek en toxiciteit van dezegeneesmiddelen. Specifieke informatie over de werking van psychofarmaca bij vogels ontbreektin de meeste gevallen, met als gevolg dat het (off-label) gebruik daarvan vooral gebaseerd is opempirische bevindingen en dosisextrapolatie uit onderzoek bij zoogdieren. Dit brengt risico’smet zich mee omdat de metabolisatie en gevoeligheid voor de geneesmiddelen kunnen verschillentussen vogels en zoogdieren, wat kan leiden tot therapiefalen en/of ernstige bijwerkingen. Hetin achtnemen van deze beperkingen en de zorgvuldige monitoring van de patiënt zijn dan ookonontbeerlijk voor een verantwoord gebruik van psychofarmaca bij gezelschapsvogels. 
Volledige tekst: 
pp 339-350
Overzichtsartikel(en)

86 (5) pp 275

Titel: 
Substraatgebruik bij paarden tijdens inspanning - een vergelijking tussen de ‘gevaste’ en postprandiale status
Auteur(s): 
J. ROBYN, L. PLANCKE, B. BOSHUIZEN, C. DE MEEÛS, M. DE BRUIJN, C. DELESALLE
Samenvatting: 
Sporten in uitgevaste toestand heeft positieve effecten op het prestatievermogen van humane atleten. Bijpaarden gaat trainen in gevaste toestand gepaard met een toegenomen mobilisatie van vrije vetzuren als energiebron.Er wordt verondersteld dat de hogere beschikbaarheid van vet als energiebron leidt tot een mindersnelle depletie van spierglycogeen en een trager optreden van spierverzuring. Dit draagt in belangrijke matebij tot het minder snel optreden van spiervermoeidheid. Omgekeerd zorgt de opname van een graanmaaltijdvoor een uitgesproken plasma-insulinepiek en de onderdrukking van lipolyse. Gezien ruwvoer, de hoofdcomponentvan het dieet van het paard, een lange passagetijd heeft doorheen de dikke darm, wordt een vollediguitgevaste status bij het paard normaal niet bereikt; dit in tegenstelling tot wat het geval is bij de mens. Hetvoeren van ruwvoer induceert echter geen uitgesproken plasma-insulinepiek en inhibeert daardoor geen lipolyse.Bovendien zorgt de darmflora in de dikke darm, waar het ruwvoer gefermenteerd wordt, voor een buffervan water en elektrolyten, alsook voor een continue bron van propionzuur. Dit propionzuur wordt verwerkt inde lever, waar het een precursor is voor de gluconeogenese. In tegenstelling tot wat bekend is bij menselijkeatleten is er bij paarden nog heel wat te ontdekken wat betreft optimale diëtaire interventies voorafgaand aancompetitie enerzijds en training anderzijds. Welke aanpak er ook gekozen wordt, ruwvoer van hoge kwaliteithoort het sleutelingrediënt te zijn van elk paardendieet. De meeste paarden presteren even goed tot zelfsbeter als ze op een dieet staan met een lager suikergehalte (dus minder of geen krachtvoer), op voorwaardedat hoog kwalitatief ruwvoer wordt aangeboden (gras, voordroog of hooi) in combinatie met een vitaminen/mineralensupplement. Andere alternatieven om niet-structurele koolhydraten te verlagen in het dieet van eenpaard met een hoge energiebehoefte is het gebruik van bijvoorbeeld vezelrijke krachtvoeders of gepilleteerderuwvoerderbronnen, zoals luzernekorrels. Tot slot heeft het frequent voederen van meerdere kleine maaltijdenper dag de voorkeur boven het voederen van twee “grote” maaltijden per dag.
Volledige tekst: 
pp 275-285
Overzichtsartikel(en)

2017 - 86 (4)

Titel: 
Fysiologische effecten van verschillende soorten arbeid op de spierontwikkeling van het paard
Auteur(s): 
R. VERMEULEN, C. DE MEEÛS, L. PLANCKE, B. BOSHUIZEN, M. DE BRUIJN, C. DELESALLE
Samenvatting: 
Het is algemeen bekend dat training leidt tot chemische, metabole en structurele veranderingen inspieren. De invloed van het type van training op deze veranderingen werd echter nog onvoldoendebestudeerd in paarden vanwege een gebrek aan gestandaardiseerde onderzoeksmethoden. In dit overzichtsartikelwordt het effect van drie soorten training op de spierevolutie en metabole veranderingenonderzocht. De vereisten voor powertraining verschillen van die voor (langdurige) inspanning van lageintensiteit. Elk type training leidt tot een specifieke shift van spiervezeltypes, enzymconcentraties en(an)aerobe capaciteit. Deze fysiologische adaptaties als gevolg van training faciliteren het uitvoerenvan de specifieke inspanningen en verhogen zo de prestatie. Het kennen van deze adaptaties per typetraining kan helpen om de training en het management van sportpaarden te optimaliseren in functievan hun discipline.
Volledige tekst: 
pp 224-231
Overzichtsartikel(en)

2017 - 86 (4)

Titel: 
Mogelijke welzijnsproblemen bij de Siamese kempvis (Betta splendens) in sierviswinkels en bij de hobbyist
Auteur(s): 
C.C.F. PLEEGING, C.P.H. MOONS
Samenvatting: 
Betta splendens is een zeer populaire siervissoort in de aquaristiek. Ze heeft een interessant diersoortspecifiekgedrag, vooral wat het territoriale gedrag en de agressie van mannelijke dieren betreft.De schaarse wetenschappelijke informatie over de huisvesting in combinatie met de grote verscheidenheidaan huisvestingsmogelijkheden doet vragen rijzen over het welzijn van deze dieren in gevangenschap.In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de voor handen zijnde wetenschappelijke literatuurbetreffende de biologie en de gebruiken in de aquaristiek, met als doel omgevings- en diergerelateerdefactoren in kaart te brengen die mogelijk een impact hebben op het welzijn van Betta splendens.Hoewel meer onderzoek nodig is, waarin gebruik gemaakt wordt van biologische en fysiologischeindicatoren, kunnen enkele mogelijke welzijnsproblemen aangeduid worden: te kleine aquariumafmetingen,prevalentie van Mycobacterium spp., agressie van en naar soortgenoten of andere vissoorten inhet aquarium en de beperkte mogelijkheid om eraan te ontsnappen, mogelijke stress door visueel contacttussen mannelijke individuen in winkels en tijdens shows en het gebrek aan omgevingsverrijkingdie een schuilplaats vormt voor deze vissoort.
Volledige tekst: 
pp 213-223
Overzichtsartikel(en)

Pagina's