2016 - 85 (3)

Volume 85 (2016), nr. 3

85 (3) pg 171

Volledige tekst: 
pp 171-171
Vraag en antwoord

85 (3) pg 167

Titel: 
De hond als kankermodel in de zoektocht naar nieuwe therapeutische alternatieven
Auteur(s): 
E. ABMA, L. CICCHELERO, H. DE ROOSTER, S. DAMINET, N.N. SANDERS
Samenvatting: 
In het kankeronderzoek wordt het knaagdierkankermodel beschouwd als de standaard. Detranslatie van onderzoeksresultaten van knaagdier naar mens is echter verre van optimaal en hetwordt dan ook aanbevolen om de werkzaamheid van nieuwe kankergeneesmiddelen te bevestigenbij hogere diersoorten vooraleer humane studies worden gestart. Honden met spontane kankerzijn de perfecte kandidaten. De histologische, biologische en genetische achtergrond van kankeris beter vergelijkbaar tussen honden en mensen dan tussen knaagdieren en mensen. Tevenszijn de tumorontwikkeling en de interactie tussen de tumor, de gastheer en de micro-omgevingvan de tumor analoog aan die bij de mens. De diagnostische en behandelingsmogelijkhedenvoor de hond zijn overeenkomstig met die voor de mens, terwijl de progressie van kanker bijhonden snel genoeg is om binnen een aanvaardbare termijn resultaten te bekomen. Tenslotteis het reglementair gezien makkelijker om honden op te nemen in klinische onderzoeken danhumane patiënten, wat uitgebreide mogelijkheden voor onderzoek verschaft. De hond zelf heeftbovendien ook baat bij deelname aan klinische studies omdat deze een bijkomende kans opgenezing kunnen bieden.
Volledige tekst: 
pp 167-170
Permanente vorming

85 (3) pg 163

Titel: 
Neusbloeden bij een zesjarig paard na fenylefrinebehandeling voor een dorsale colonverplaatsing over de milt-nierband
Auteur(s): 
P. KELLER, A. DUFOURNI, M. VAN DE VELDE, C. BAUWENS, G. VAN LOON
Samenvatting: 
Left dorsal displacement of the large colon is a common cause of colic in horses. Treatmentconsists of surgery, rolling the horse under general anesthesia or intravenous administration ofphenylephrine. Treatment with phenylephrine, an α1-adrenergic drug, is often associated withsweating and trembling. Especially in horses of more than 15 years old, fatal hemorrhage mayoccur due to hemothorax or hemoperitoneum. Therefore, phenylephrine treatment is generallynot given in horses over 15 years of age. In this report, severe epistaxis in a six-year-old Quarterhorse is described after intravenous administration of 22.5 μg/kg BW phenylephrine, and it ishighlighted that hemorrhage may also occur in younger horses.
Volledige tekst: 
pp 163-166
Casuïstiek(en)

85 (3) pg 157

Titel: 
Complicaties na marsupialisatie van een arachnoïd diverticulum bij een rottweiler
Auteur(s): 
L. GEERINCKX, E. ROYAUX, I. GIELEN, S. BHATTI, M. TSHAMALA, L. VAN HAM
Samenvatting: 
Een jonge, mannelijke rottweiler werd aangeboden met neurologische symptomen die sindszijn geboorte aanwezig waren. De hond vertoonde hypermetrie op de voorhand, ataxie op deachterhand en zijn proprioceptie was achteraan duidelijk vertraagd. Computertomografischonderzoek na myelografie en een MRI-onderzoek toonden een lang dorsaal subarachnoïdaaldiverticulum aan, dat zich uitbreidde van craniaal C2 tot craniaal C5. Dit diverticulum veroorzaakteeen ruggenmergcompressie, die de neurologische symptomen verklaarde. De hond werdgeopereerd via een cervicale dorsale laminectomie, gevolgd door durotomie en marsupialisatie.Postoperatief waren er complicaties, waardoor de hond opnieuw geopereerd moest worden.Hierna was nog een vijftal dagen mechanische ventilatie nodig, waarna de hond weer zelfstandigkon ademen. De neurologische toestand van de hond verbeterde postoperatief geleidelijk. Hijherstelde volledig en deed het elf maanden postoperatief nog altijd goed.
Volledige tekst: 
pp 157-162
Casuïstiek(en)

85 (3) pg 141

Titel: 
Peritoneopericardiale hernia diafragmatica met eenmalige pericardiale effusie bij een beagle
Auteur(s): 
S. VAN DER MEEREN, V. BAVEGEMS, A. WILLEMS, ELKE VAN DER VEKENS, H. DE ROOSTER
Samenvatting: 
Een mannelijke, gecastreerde beagle werd op vierjarige leeftijd aangeboden omwille van ascites,tachypnee, partiële anorexie en lethargie. Via radiografie, echocardiografie en computertomografiewerd de hond gediagnosticeerd met pericardiale effusie en een peritoneopericardialehernia diafragmatica, waarbij vermoedelijk enkel omentum was geherniëerd in het hartzakje.Een abdominocentese en pericardiocentese werden uitgevoerd. De peritoneopericardiale herniadiafragmatica werd niet chirurgisch gecorrigeerd, aangezien er na een eenmalige pericardiocentesegeen nieuwe pericardiale effusie ontstond en de patiënt het klinisch goed stelde. Tijdens hetcontrolebezoek, een half jaar na de pericardiocentese, was de patiënt actief en speels en was ernog steeds geen sprake van recidiverende pericardiale effusie.
Volledige tekst: 
pp 150-156
Casuïstiek(en)

85 (3) pg 141

Titel: 
“Thunder Measure Vet Device”: een praktische en objectieve methode om de lichaamsconditie van melkvee te schatten
Auteur(s): 
T. DEWAELE, M. VAN EETVELDE, G. VERTENTEN, G. OPSOMER
Samenvatting: 
Het op regelmatige tijdstippen bepalen van de lichaamsconditie van koeien is in de modernemelkveehouderij een belangrijk instrument om het nutritionele management van de dieren teoptimaliseren. De ‘Thunder Measure (TM) Vet Device’ werd door Ingenera SA, Zwitserlandontwikkeld om op een objectieve en eenvoudige manier de conditie of “body condition score”(BCS) bij melkkoeien te bepalen. Aan de hand van een smartphone-applicatie gekoppeld aan eenlasertoestel wordt een analyse gemaakt van drie foto’s van de dorsale zijde van het dier, bijvoorbeeldin de voedergang. In dit onderzoek werden de correlatie en de herhaalbaarheid van de TMVetDevice berekend in vergelijking tot de conventionele BCS-bepaling en de ultrasonografischbepaalde “backfat thickness” (BFT). De conventionele BCS werd gemeten door een dierenartservaren in het bepalen van de conditie van melkkoeien en drie minder ervaren studenten diergeneeskunde.Bij dezelfde koeien werd de lichaamsconditie ook bepaald aan de hand van de BFT.De resultaten bekomen via het gebruik van de TM-Vet Device waren slechts matig gecorreleerdmet de BFT (r=0,38; P<0,001), maar vertoonden een hoge correlatie met de BCS bepaald door deervaren dierenarts (r=0,82; P<0,001). Bovendien was er een goede overeenkomst tussen de resultatenbekomen met behulp van TM-Vet Device en deze bekomen door de ervaren dierenarts. Erwerd een grote variatie gezien in de BCS bepaald door de studenten, waardoor ook de correlatiemet de TM-Vet Device sterk varieerde van r=0,23 (P<0,05) tot r=0,74 (P<0,001). De herhaalbaarheidvan de TM-Vet Device-methode was met 91% zeer hoog. Enkel door de dierenarts ervarenin het scoren van de BCS (93%) en met de bepaling van de BFT (96%) werd een hogere herhaalbaarheidbereikt. Bij magerdere dieren werd een overschatting gezien van de BCS gemeten metbehulp van de TM-Vet Device in vergelijking met de BCS waargenomen door de ervaren dierenarts,maar deze nam af naarmate de door de dierenarts toegekende conditie toenam.Het eenvoudig gebruik en de betrouwbaarheid van de resultaten laten toe te stellen dat deTM-Vet Device een plaats kan krijgen in het management van een hoogproductief melkveebedrijf.
Volledige tekst: 
pp 141-149
Origine(e)l(e) artikel(en)

85 (3) pg 133

Titel: 
Lymfoma van het mucosageassocieerde lymfoïde weefsel
Auteur(s): 
C. VAN HOEY, W. VAN DEN BROECK, S. PRIMS, S. VAN CRUCHTEN, C. VAN GINNEKEN, C. CASTELEYN
Samenvatting: 
In deze literatuurstudie wordt een overzicht gegeven van de huidige kennis van MALT-lymfoombij de mens en wordt er waar mogelijk aandacht besteed aan het voorkomen van het letselin de diergeneeskunde. Lymfomen van het mucosa-geassocieerde lymfoïde weefsel (MALT) kunnenontstaan na inductie van immunologisch weefsel in slijmvliezen. De kennis van deze tumorenis in de diergeneeskunde echter beperkt tot de relatie tussen het gastrische MALT-lymfoom enhelicobacterinfecties bij de kat. De vermoedelijke diagnose is gebaseerd op de symptomatologie,zoals braken en anorexia, en de histologie van gastrische biopten. In de humane geneeskundezijn immunohistochemisch onderzoek en in situ hybridisatie diagnostisch. Behandelingsoptiesbij de kat bestaan uit de eliminatie van de bacteriële infectie en chirurgie. Bij de mens is chemo-,radiatie- en antistoffentherapie ook mogelijk. De prognose is bij de mens meestal gunstig, maarbij de kat is ze afhankelijk van eventuele complicerende factoren, zoals infectie met het felieneleukemievirus.
Volledige tekst: 
pp 133-140
Overzichtsartikel(en)

85 (3) pp 124

Titel: 
Farmacokinetiek van geneesmiddelen bij vogels en de toepassingen en beperkingen van dosisextrapolatie
Auteur(s): 
R. HOUBEN, G. ANTONISSEN, S. CROUBELS, P. DE BACKER, M. DEVREESE
Samenvatting: 
De farmacokinetische processen van geneesmiddelen, i.e. absorptie, distributie, metabolisatieen excretie, kunnen sterk verschillen tussen vogels en zoogdieren. Zo worden aminoglycosidenbij vogels trager geklaard en hebben een lager distributievolume dan bij zoogdieren. Dezefarmacokinetische verschillen zijn hoofdzakelijk het gevolg van anatomische, biochemische enfysiologische verschillen tussen vogels en zoogdieren. Deze diersoortverschillen en verschillenin geobserveerde en voorspelde farmacokinetische parameters van geneesmiddelen bij vogelsgeëxtrapoleerd vanuit zoogdieren, zoals de klaring voor enrofloxacine, salicylzuur, meloxicam enflunixine, wijzen erop dat farmacokinetische gegevens van een geneesmiddel bij zoogdieren nauwelijksgeëxtrapoleerd kunnen worden naar vogels. Ook tussen vogelsoorten onderling kunnener verschillen aanwezig zijn. Indien mogelijk dient de dosisselectie van een geneesmiddel voorvogels bijgevolg te gebeuren op basis van de farmacokinetische gegevens van de desbetreffendevogelsoort. Indien dergelijke gegevens niet beschikbaar zijn, kan er gebruik gemaakt wordenvan allometrische schaling, waarbij de dosisselectie gebeurt op basis van de farmacokinetischegegevens van een andere vogelsoort gecorreleerd aan het lichaamsgewicht van deze vogelsoorten.Schaling op basis van zoogdiergegevens wordt slechts aangeraden indien de farmacokinetischegegevens van andere vogelsoorten niet beschikbaar zijn en het betreffende geneesmiddel een lagetoxiciteit heeft.
Volledige tekst: 
pp 124-132
Overzichtsartikel(en)

85 (3) pg 115

Titel: 
Bacteriële zoönotische agentia afkomstig van vissen
Auteur(s): 
R. JACOBS, A. DECOSTERE, A.M. DECLERCQ
Samenvatting: 
Het belang van zoönosen neemt de laatste jaren toe, ondermeer ten gevolge van de internationaliseringvan handel. Zoönosen kunnen via opname van voedsel (voedselzoönose) of via huidcontact(contactzoönose) optreden. Specifiek voor de toename van viszoönosen is de uitbreidingvan de aquacultuur. Voornamelijk vissers en vishandelaars maar ook vishobbyisten lopen hetgrootste risico om aan vis, als mogelijke zoönotische infectiebron, te worden blootgesteld. Vaakzijn zij zich daar onvoldoende van bewust. Voorzorgsmaatregelen tegen zoönotische infecties zijndan ook cruciaal.De belangrijkste bacteriële contactzoönosen van vis worden veroorzaakt door Mycobacteriummarinum, Vibrio vulnificus, Edwardsiella tarda en Streptococcus iniae. Minder bedreigend zijn onderandere Aeromonas hydrophila en Erysipelothrix rhusiopathiae. Infectie van de mens gebeurtvia contact van huidwonden met de bacterie en voor sommige van de genoemde bacteriën ook viaorale weg. De diagnose van deze infecties kan meestal worden vermoed op basis van de anamnesewaaruit contact met vissen blijkt. De diagnose van de specifieke kiem kan worden bevestigd metbehulp van bacterie-isolatie en –identificatie, bijvoorbeeld via “polymerase chain reaction”. Debehandeling van de infectie geschiedt meestal met antibiotica. Soms is tevens een chirurgischebehandeling vereist.
Volledige tekst: 
pp 115-123
Overzichtsartikel(en)