Veterinary past

English

87 (1) pp 47

Title: 
Origin of tail docking in the Belgian draft horse: a fashion introduced in the last decades of the nineteenth century
Author(s): 
L. DEVRIESE
Abstract: 
Tail docking became a current practice in Belgian draft horses during the last decades of thenineteenth century. In this paper, a number of paintings and drawings by famous ‘animaliers’, in thiscase horse painters, are reproduced which convincingly demonstrate that heavy horses with intact tailswere in high esteem until about a century and a half ago. Amputation combined with partial resectionof the tail flexor muscles, fashionable in riding and cart horses of the upper class, became popular in thelate nineteenth century among leading draft horse breeders and owners. The trickle-down effect of thisfashion was the leading cause of change. This coincided with a triumphant period in the history of thishorse type. Later on, fashion changed to very short, nearly invisible tails. Resection of the tail flexormuscles became obsolete. Although forbidden by law, amputations are still carried out under medicalpretext: as a way to remediate badly healing tail wounds and sores.
Full text: 
pp 47-52
Veterinary past

86 (6) pp 388

Title: 
Van rondtrekkende beerhouders naar topgenetica
Author(s): 
J. DE SMET
Abstract: 
Een kort overzicht wordt gegeven van de geschiedenis van de varkensselectie na WereldoorlogII. Aanvankelijk speelden rondtrekkende beerhouders hierin een belangrijke rol. De door henondersteunde selectie naar een betere vlees-vetverhouding met minder aandacht voor groei, voederomzeten vruchtbaarheid, werd gestimuleerd door berenkeuringen, het varkensstamboek enfokvarkensveilingen. De selectie had voor gevolg dat bijna de hele Belgische varkenspopulatiegebaseerd op het Belgisch landvarken en de piétrain stressgevoelig werd. Voor het opsporen vande stressgevoeligheid werd in de zeventiger jaren van de vorige eeuw de halothaantest op puntgesteld. De inzet van stressnegatieve beren voor de fok van productiezeugen zorgde al snel vooreen opmars van het stressnegatieve gen in het Belgisch landras. Vanaf 1985 werden die varkensingeschreven in een apart stamboek ‘Belgisch halothaan-negatief’. Zo kwam men geleidelijktot zeugenlijnen die homozygoot stressnegatief waren (AA): het Belgisch negatief ras of BN-ras.In 1981-82 werd de halothaantest stopgezet. Men kweekte verder met de lijnen die stressnegatiefwaren. Vanaf 1992 werd ook bloedonderzoek mogelijk: met een DNA-test kon het genotypevan de dieren op het gebied van stressgevoeligheid opgespoord worden. Door de introductie vankunstmatige inseminisatie (KI) kon men relatief kleine piétrainberen inzetten op de grote zeugenvan het Belgisch landras. Daardoor volstond een minder bevleesde zeug om toch tot de besteslachtvarkens te komen. Dus kon men de zeugen opnieuw selecteren op vruchtbaarheid en worpgrootte.Door gebruik te maken van de hybridefoktechniek kon men selecteren op worpgrootte(bij de zeugen) en op bevleesdheid (bij de beren). Bij kruisingen bekomt men veel biggen metvoldoende vleesaanzet. Bijna alle slachtvarkens bij ons hebben een piétrainbeer als vader.De technieken gebruikt bij de natuurlijke dekking, de sperma-afname en de kunstmatige inseminatieworden beschreven, samen met de factoren die de bevruchtingsresultaten beïnvloeden.De drachtigheidsresultaten worden voor een belangrijk stuk bepaald door de manier waarop debronstdetectie uitgevoerd wordt. Op grote fokbedrijven wordt zaad van de beren afgenomen enter plaatse geïnsemineerd. In andere gevallen gebeurt dit in de KI-centra, waarbij het verdundesperma na controle op kwaliteit rechtstreeks bij de zeugenhouders wordt afgeleverd die dan zelfde inseminaties uitvoeren. In 2010 werden negen op tien Vlaamse biggen kunstmatig verwektmet sperma uit een erkend KI-centrum.
Full text: 
pp 388-394
Veterinary past

85 (6) pp 368

Title: 
To slaughter, to sacrifice: the historic background of killing animals for food
Author(s): 
L. DEVRIESE
Abstract: 
‘Slaughter’ and ‘slay’, words of Germanic origin, and ‘beat’ and ‘abattoir’ of Latin descent, all referto a primitive way of rendering animals unconscious, of ‘knocking them out’, before actually killingthem with a knife by cutting the throat or the main blood vessels in the heart region. The situation iscomplicated by religious traditions. Ritual slaughter in the Islamic and Judaic traditions dates back toBiblical times, when Abraham (Ibrahim) was prevented by God (Jahweh, Allah) from offering (sacrificing)his only son, who was replaced on the altar by a ram. In the orthodox Jewish tradition, the killingof animals for food is complicated by a strong taboo against blood. This came to expression in the strictrules for killing the conscious animal with a sharp knife and for avoiding contact with the animal’sblood. In the Christian tradition, the taboos disappeared after the early period because it was realizedthat Jesus, as the Lamb of God, has sacrificed himself in order to save and redeem mankind. The notionof sacrifice is still associated with killing animals for food or other human use. In the biomedicalliterature, the term ‘sacrifice’, originally meaning ‘offer’, is frequently used to designate the killing ofexperimental animals. In four surahs in the Koran, the importance is stressed of offering all animalsbeing put to death for food to the One and Only Allah. The slaughtering technique is not stipulated inany further detail, except for the rule that the animals should not be beaten to death and that the bloodevacuated should not be consumed.
Full text: 
pp 368-377
Veterinary past

85 (4) pg 237

Title: 
‘Le jumart’: myth or mystery in animal reproduction?
Author(s): 
P.E.J. BOLS, H.F.M. DE PORTE
Abstract: 
There was a time when science still had to ‘hatch’. An era during which man often extrapolatedexisting knowledge to a level beyond reality. That period is not as far behind us as we wouldlike to believe. Breeding of animals has always stimulated man’s fantasy. Out of this, a very interestingmyth - or is it a mystery? - was born: the existence of a hybrid between horse and cow,‘Le Jumart’.On top of the very well-known hybrids between horses and donkeys, the French ‘capitainedes haras’ Francois Alexandre de Garsault (1692-1778) describes the procedure of how to createa hybrid between a cow and a horse in his widespread and well known ‘Nouveau ParfaitMaréchal’, first published in 1741. In depth research showed that he was far from being the onlyone who believed in the existence of such a crossover species. Other well-respected contemporaryscientists even dedicate chapters in their textbooks on this animal, such as the French naturalistand medical doctor Jean-Pierre Buchoz (1731-1807) in his ‘Traité Economique et Physique deGros Menu Bétail’ published in 1778. Even opinion leaders Charles Bonnet (1720-1793) and LazzarroSpallanzani (1729-99) were convinced that these animals really roamed around in Franceduring the 18th century. Finally, even the founder of the first ‘Ecole Vétérinaire’ in the world,Claude Bourgelat (1712-1779) testified in a letter to Bonnet to have admired the product of astallion and a cow with his own eyes. Fortunately, the debate could count on important disbelieversas well, with Albrecht von Haller taking the lead by publishing a paper in the ‘Supplémentà l’Encyclopédie ou Dictionnaire Raisonné des Sciences, des Arts et Métiers’ (1777), in whichhe calls the existence of the Jumart a ‘fable’. It would take another century for André Suchetet(1849-1910) to publish an ‘Extrait des Mémoires de la Société Zoologique de France’ with thetitle ‘La Fable des Jumarts’ (1889). Extremely interested in hybridization, this 19th century politicianand member of several scientific societies, faces the challenge to finally steer the scientificcommunity to a general conclusion on this enigma. This paper describes in a chronological orderthe rise and fall of one of the most intriguing ‘fabula’ in reproductive medicine and how it tookemerging modern science about 200 years to decide on ‘myth’ or ‘mystery’.
Full text: 
pp 237-248
Veterinary past

85 (2) pg 106

Title: 
Museumcollectie diergeneeskundig verleden Merelbeke: een overzicht 1994 - 2014
Author(s): 
L. DEVRIESE
Abstract: 
Sinds ongeveer twintig jaar groeit in de faculteit een verzameling die een stukje herinneringwil levendig houden aan wat zieke dieren vroeger te wachten stond. Meer in het bijzonder wordtgepoogd de rol daarin van de dierenarts-practicus te illustreren. Dit gebeurt aan de hand vaninstrumenten, foto’s, handboeken, allerhande documentatie op papier (‘Vliegende Bladen’) eneen digitaal archief. De collectie vormt de basis van teksten in de rubriek ‘Uit het verleden’ indit tijdschrift, van medewerking aan tentoonstellingen en van kleine thematische presentaties‘Veterinair Verleden in de Vitrine’, tijdelijk opgesteld in voor bezoekers en studenten vrij toegankelijkeruimten op de campus in Merelbeke. Een kort overzicht wordt gegeven van deze ‘MuseumcollectieDiergeneeskundig Verleden Merelbeke’ (MDVM), die samengesteld en bewaardwordt in het decanaat van de Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent.
Full text: 
pp 106-109
Veterinary past

84(6) pg 333

Title: 
De Maréchal-Vétérinaire in de Grande Armée van Napoleon (1805-1815)
Author(s): 
P.E.J. BOLS, E. DUMAS, J. OP DE BEECK, H.F.M. DE PORTE
Abstract: 
Op 18 juli 2015 was het precies tweehonderd jaar geleden dat Napoleon met zijn GrandeArmée werd verslagen door de geallieerde strijdkrachten in wat de geschiedenis zou ingaanals de Slag bij Waterloo. Tijdens de tien jaar die aan deze nederlaag voorafgingen, bouwde deFranse keizer een gigantische troepenmacht uit waarin de bereden component of cavalerie eenzeer belangrijke rol speelde. Omdat de paarden die hierin figureerden eerder al het onderwerpwaren van een publicatie in dit tijdschrift, richt dit artikel specifiek de aandacht op de militaireveeartsen die als paardenarts instonden voor de verzorging van de honderdduizenden legerpaardendie tijdens het verloop van het keizerrijk onder de wapens werden gebracht. Na eenkorte inleiding over het ontstaan van het veeartsenijkundig onderricht, wat hand in hand gingmet de geboorte van de militaire veearts, wordt dieper ingegaan op zijn rekrutering, statuut enwerkomgeving. Hierbij wordt de rol van de keizer zelf beschreven met een bespreking van hetdecreet van Moskou dat voor het veeartsenijkundig onderwijs van zeer groot belang is geweest.Tenslotte worden de werkomstandigheden van de militaire veeartsen belicht aan de hand vanenkele ooggetuigenverslagen.
Full text: 
pp 333-342
Veterinary past

84(5) pg 278

Title: 
The relationship between man and cat in the medieval and early modern Low Countries - II. The home cat and the tormented cat
Author(s): 
E. AERTS
Abstract: 
Only from the middle of the 17th century did the cat receive a modest place in the context ofthe new home decoration that had contributed to a process of identity formation and culturaldistinction. This status improvement did not prevent the vast majority of the feline populationfrom being focused on survival in their daily life. Even at the end of the period, many cats werethe subject of brutal public entertainment and structural violence. The real revolution in ourrelationship with the cat is of recent date. However, anthropomorphization, in which all kinds ofhuman qualities are uncritically attributed to the cat, continues unabated.
Full text: 
pp 278-280
Veterinary past

84(4) pg 212-222

Title: 
The relationship between man and cat in the medieval and early modern Low Countries - I. The functional, demonological and imaginery cat
Author(s): 
E. AERTS
Abstract: 
ABSTRACTThe relationship between man and cat in the Low Countries between 600 and 1800 can bedescribed in such terms as kaleidoscopic, but also contradictory, problematic and ambiguous. Inthe early Middle Ages, people - particularly intellectuals within the Church - came to appreciatethe useful aspects of cats in their contacts with them, but from the 12th century, they begandemonizing the animal. At the same time, in both the literature and visual arts, a symbolicrepresentation was being developed that associated the cat with other negative qualities, such aslaziness, vanity, pride, and especially lust.
Full text: 
pp 212-222
Veterinary past

84 (2) pg 101-109

Title: 
Aderlatingen en etterdrachten verdrijven het ‘kwaad’ uit het lichaam
Author(s): 
L. DEVRIESE, H.F.M. DE PORTE, P.E.J. BOLS
Abstract: 
Eeuwenlang was bloed aflaten via een snede in de aders (flebotomie, aderlating) ontzettendpopulair in de geneeskunde van mens en dier. Naast het meest gebruikelijke ‘slaan van bloed’in de halsader van paard en rund werd ook bloed afgelaten op diverse andere plaatsen, gaandevan het gehemelte tot de staart. Behalve veneus bloed werd soms ook arterieel bloed afgetapt.In de humane geneeskunde was ook het kunstmatig verwekken van lokale capillaire bloedingenpopulair. Dit gebeurde met behulp van Hirudo (echels, bloedzuigers) en met zogenaamde ‘laatkoppen’(vacuüm trekkende bokaaltjes op de huid). Het hoofddoel van al deze praktijken waszowel voor het volk als voor de artsen duidelijk: ziekteverwekkende stoffen (het ‘kwaad’) uithet lichaam laten ontsnappen. In de Hippocratisch-Galenische geneeskunde werd dit ingebed intheorieën over evenwicht (syncrasie) en onevenwicht (dyscrasie) van de verschillende lichaamsvochten(“humores”), waar mogelijk ook de verklaring lag voor de soms moeilijk toepasbare,lokale bloedafnamen dichtbij aangetaste lichaamsdelen.Een tweede, vooral in de diergeneeskunde ooit zeer belangrijke techniek bestond er in metbehulp van de zogenaamde etterdrachten of andere irriterende middelen kunstmatig lokale ontstekingenop te wekken. Hoewel de gelijkenis met aderlaten niet evident is, berust het geloof inde heilzame werking van deze ingreep op het zelfde hoofdprincipe: de ziekteverwekkende stof,het ‘kwaad’, moet uit het lichaam verdreven worden.
Full text: 
pp 101-109
Veterinary past

83(4) 202-206

Title: 
Volksdiergeneeskunde samengebracht en verklaard door dierenarts Jaak Wouters (1966) - Deel 2: Aandoeningen per diersoort
Author(s): 
J. BOUCKAERT, L. DEVRIESE
Abstract: 
  Dit is een korte samenvatting van de traditionele geneeswijzen van dierziekten aan de hand van het werk ‘Volksdiergeneeskunde’ van dierenarts Jaak Wouters in eigen beheer uitgegeven in 1966. In dit tweede deel worden eerst problemen in verband met bevruchting, dracht en geboorte beschreven, waarna de in de volksgeneeskunde gebruikelijke behandelingen van de belangrijkste ziekten per diersoort kort geschetst worden. Net als in de reguliere plattelandspraktijk van destijds komen paard en rund op de eerste plaats. In dalende orde van belang volgen varken, schaap, geit, hond, kat, pluimvee (hoen, eend, duif), konijn en als buitenbeentje de rat. Naast de beschrijving van de toegepaste middelen besteedt Wouters heel wat aandacht aan Vlaamse en Brabantse dialectnamen van ziekten, symptomen en geneesmiddelen. Bij moeilijk te begrijpen remedies verwijst hij naar de begrippen en principes van de primitieve geneeskunde, zoals sympathie, homeopathie (signaturenleer) en magie die in deel 1 van dit tweeluik beschreven staan. 
Full text: 
pp 202-206
Veterinary past

Pages